Nou, dat dus. Elk jaar opnieuw

door Marc

Vlak voor een eerste vakantienacht wringt zich elk jaar weer een verontrustende angst naar voren. Namelijk de volgende. Dat we de volgende dag in de krant staan als ‘Gezin uit T. slachtoffer van brutale roofoverval.’

Dat vraagt om wat context. Een huisje dat we huren bevindt zich meestal ergens diep in het achterland van onze bestemming. Gehuchten doorgaans, met inwoners die – ondanks de aanwezigheid van internet – ver weg van de rest van de wereld leven, in hún wereld. Een plek waar wij de tang op het varken zijn, de midweekgast die geen tijd heeft om te integreren.

We vallen uit de toon. Die ene grijze haar in een verder pikzwarte baard. Beter kan ik het niet omschrijven. Niemand hier slentert nieuwsgierig naar de nieuwigheid gezinswijs een blokje om. Eén bezoekje aan de lokale kruidenier en het gerucht dat ‘de buitenlander’ in het dorp is gonst in no time rond.

Het hoofd slaat dan op hol. Ik zie de blikken wel. De oogopslag. In de verte de hygiënisch twijfelachtige dorpskluizenaar. De kettingzagenverzamelaar. Het gebitsloze kruidenvrouwtje. Hoe ze mispelen. En die gekke wit geverfde steen die opeens naast de oprit ligt, wat heeft dat eigenlijk te betekenen? Een herkenningspunt? Een ‘hier moet je vannacht zijn’? Ik bedenk er meteen een dorpse cultcode bij die bepaalt dat wát iemand uit het dorp uitspookt, wat er ook gebeurt binnen het dorp blijft. Ongeacht de wat en de wijze waarop. (Ik heb trouwens niks raars gelezen in de reviews van betreffende huisje, maar dat zegt niks. Die reviews zijn vast door de bewoners zelf geschreven.)

Dan valt de eerste avond en trek ik vlug de gordijnen dicht, check ik de ramen en sloten, spiek ik snel nog even door elk gordijn. (Wacht ’s even, wat is dat voor een gekke gloed daar in de verte?) Ik rammel bijgelovig aan de deurgrepen. Vervolgens flitsen beelden van de films Straw Dogs en Funny Games door mijn hoofd. Ik zie dorpelingen gehuld in lakens met juten zakken over hun hoofden, fakkels in de hand verzameld rond het huisje, deinend en een vaag lied neuriënd. Klaar om die rare buitenlanders letterlijk stukje bij beetje te offeren aan een of ander vaag lokaal opperwezen.

Die gloed die ik dacht te zien was de brandstapel. Met mijn hoofd op hol druk ik de kinderen voor het slapen gaan op het hart dat ze nergens bang voor hoeven te zijn. Ja lachen, hypocriet! Ik vertel het ze glimlachend terwijl wij in mijn hoofd de nacht niet zullen overl….afijn, verder dan daar gaan mijn gedachten niet.

Want ik ontwaak als uit een droom, de zon schijnt, de olijke buurman – hij die mij de avond ervoor nog aan zijn riek wilde spietsen – zwaait vriendelijk goedemorgen en ik vraag me slurpend aan een kop koffie serieus af of ik een totaal gebrek aan vertrouwen heb in de mensheid, te lang in een gehucht heb gewoond of teveel horrorfilms heb gezien. Of alledrie.

Advertentie