Heb Het Er Maar Over

Vertelt doorgaans de waarheid

Terug naar huis…

IMG_0046.jpeg

Mijn zus en ik, circa 1981.

Nou jongens, welkom in de jaren ‘70. Tis me wat hè. Ik kijk naar twee paar starende kinderogen. Voor mijn kinderen stam ik uit de oertijd. Zo ook de plek waar we nu zijn. De keuken met die bovenmaats grote betonnen wasbak. De serre erachter, ik herken hem direct. We legden er zakdoekjes op S.’s zesde verjaardagsfeestje. Die herinnering is nog verrassend helder, aangewakkerd door wat ik zie. De lambrisering, de linnen wandbekleding. Niets in dit huis is veranderd sinds mijn laatste bezoek.

Beschaamd concludeer ik dat ik het huis van mijn oom en tante al decennia niet meer bezocht heb. Weten dat ik er niet meer kwam heeft nooit aan me geknaagd. We zagen elkaar op zondag bij oma thuis. Nu, staand in de deur, overvalt dat gevoel me dubbel. We worden hartelijk ontvangen en ik besluit geen woorden vuil te maken aan mijn schaamte. Zij doen het ook niet. We komen uit een familie die nergens teveel woorden aan vuil maakt.

S. is er ook. Met haar man. Zij is mijn enige nicht aan vaderskant en het enige kind van A., de jongere zus van mijn vader. A.’s man J. zit verankerd in zijn stoel, alsof hij daar sinds mijn laatste bezoek voor het gemak maar is blijven zitten. Het veldrijden is op tv. Winterweekenden. Vaste prik. Zonder Matthieu van der Poel deze keer, onderstreept J. voor de duidelijkheid. Dat is leuk voor de andere veldrijders, lach ik.

We zijn er allemaal. Met koffie en vlaaien van een bakker uit Neerbeek, want J. reist – net als mijn vader dat deed – de provincie af voor de lekkerste vlaai en het beste brood. Mijn vader reed er helemaal tot in Margraten voor. Mijn ouders maakten er dan een dagje van.

We praten bij en halen herinneringen op. We lachen respectvol om J.’s hobby. De beste man verzamelt bidprentjes. Trots laat hij zijn collectie zien. Gearchiveerd op alfabet én op jaartal van overlijden. Ik heb er zo’n 200.000, lacht hij een beetje achteloos. Ik krijg er binnenkort weer zo’n 600, via mijn mannetje bij de Dela, vult hij aan. Ik loop hardop lachend de trap naar beneden. Weet je hoeveel bidprentjes hij heeft?, zeg ik luid tegen mijn publiek in de woonkamer en klap van de lach met mijn vlakke hand op mijn bovenbeen.

We bedanken ze voor de koffie en vlaai. We moeten door. Voor het eerst sinds maanden gaan we terug naar mijn ouderlijk huis. De nieuwe eigenaren hebben ons uitgenodigd. De vraag was lange tijd of ik dat wel wilde? Terug naar de plek waar ik ben opgegroeid, wat zou dat met me doen? De plek waar mijn leven in de kieren en scheuren zit. Mijn geur in het behang. Wat zou een bezoek me brengen behalve verdriet?

Het huis is door mijn vader zelf gebouwd. In 1973 als ik me niet vergis. Met zijn vader en wat ingehuurde metselaars. Zo ging dat toen. De bouwtekening was dezelfde als die van het huis van een vriend van mijn vader. Overigens circuleert er een 8mm filmpje waar ik door mijn vader een steigerplank word opgetild. Waar ik vervolgens volkomen onverantwoord een beetje heen en weer waggel. Dat terzijde.

De complete straat waarin ik ben opgegroeid is gebouwd in hetzelfde jaar. We groeiden er samen op. Mijn buurkinderen, mijn zus en ik. Allemaal in hetzelfde soort huis, met een evengrote tuin. Tegenover de kerk. In die straat knikkerden we, liepen we op stelten, organiseerden we onze eigen rondjes rond de kerk, speelden we stoeprandje, skateboardden we. Een zeven huizen tellende mini-Vinex was het, in een dorp met nog geen 1000 zielen.

Het huis maakt geen deel meer uit van onze familie. Het is nu een hoofdstuk in onze familiegeschiedenis. Geen anekdote, daar is het te belangrijk voor. Voor mijn ouders was een eigen huis met een gezin een droom. Het boompje stond in de voortuin. Zie foto. Die droom hebben ze letterlijk zelf gebouwd en is vorig jaar met een handtekening en een zwaar hart overgedragen aan anderen. Het is nu hun droom en daarin lopen wij verdwaasd en verloren rond.

Ik ben er als gast, ook al ben ik erin verweven als geen ander. De benedenverdieping is onherkenbaar. Mijn moeder zou vast geroepen hebben dat het heel mooi is. Mijn vader zou vooral zijn zorgen hebben uitgesproken over het gras van de achtertuin. Dat het door mijn vader zo gekoesterde boompje uit de tuin was viel ons pas later in.

De omvang van de verandering in het huis helpt me. Ik ga niet kapot. Ik zoek referenties, plekken die ik nog herken van vroeger. Waar wij hangend op de bank naar Van Kooten & De Bie keken, staat nu een keuken. Waar het terras begon ligt nu een woningbrede kamer. Waar de keuken was, ligt nu een hal. Op de bovenverdieping is nog niks veranderd. Dat is voor later wordt ons verteld. Ze hebben grootse plannen. Boven blijf ik weg. Daar ligt mijn kamer, die afgebakende plek waar ik altijd veilig was voor de buitenwereld. Waar ik liggend op bed in de ogen keek van de Iron Maiden mascotte. Daar weer zijn, kan ik niet aan.

Kan zomaar zijn dat ik na vandaag niet vaak meer in M. kom, zei ik nog tegen J. toen we in de deur stonden om weg te gaan. Behalve het graf van mijn grootouders heb ik er niks meer. J. knikte begrijpend. De beste man onderhoudt het kerkhof een beetje, voor zover het die naam nog mag hebben. J. wordt wekelijks geconfronteerd met de pijn, gevoelig als hij is. En hoe raar het ook klinkt, het is de pijn die hem een beetje staande houdt.

Bij de grafsteen van mijn grootouders hebben we een herdenkingskistje voor ma gezet. Ze wilde haar lichaam aan de wetenschap schenken. Behalve in ons hart hebben we geen plek om haar te herdenken. De grafsteen en het herdenkingskistje staren roerloos richting het huis waar we net op bezoek waren, dat toevallig of niet pal met de achterkant voor het kerkhof ligt, de plek waar alles in het leven ophoudt.

Advertenties

Hoe gaat het, meneertje tekstschrijvende copydinges?

IMG_1727.jpeg

Voor wie het gemist heeft, hebhetermaarover is zes maanden geleden gestart met een eenmanszaak. Tekstschrijverij en copywriting. Commerciele verhalen. Ik heb het Puik Verhaal genoemd. Om de eenvoudige reden dat alles een verhaal kan zijn als het dat nog niet is. En dat laat zich prima commercieel inzetten.

De eerste zes maanden van dat verhaal zijn voorbij. Ze vlogen. Al heb ik nog steeds geen werkplek gevonden waar ik me thuis genoeg voel om goed werk te kunnen leveren. Behalve thuis dan.

Dat komt nogal nauw.

Of het is ergens te druk. Of het is te klein. Of te ver weg. Of het gebouw staat me niet aan. Of ik ben een zeikerd. Nadeel van werken aan de zoldertafel is dat ‘thuis’ nooit helemaal weg is en ik soms veel tijd nodig heb om de consternatie van mijn woonomgeving uit mijn systeem te krijgen. Aanpaspuntje dus en daar wordt aan gewerkt. (Lees ik zoek een minikantoor.)

In de tussentijd heb ik twee keer btw afgedragen en omdat ik een aan dyscalculie grenzende cijferhaat heb, was dat twee keer niks om naar uit te kijken. Het tweede kwartaal was overigens beter dan het eerste. Da’s groei. Maar dat zijn bijzaken. De winst is dat ik op zondagavond fluitend naar bed ga, dat files voor mij niet meer bestaan, maar wel ochtendwandelingen.

Gewerkt heb ik ook – via reclame- en communicatiebureaus of direct. Voor tig vastgoedprojecten, een autowasstraatketen, een zorginstelling, een managementorganisatie, een leasebedrijf, een tuinontwerpbureau, een verzekeringsclaimondersteuner, een kinderdagverblijfcentrum, een universiteit en een duurzaamheidsdienstenbedrijf. En er zit nog veel meer moois in de pijplijn, zoals dat dan zo fraai heet.

Ik heb teksten geredigeerd – lees creatief herschreven -, webteksten geschreven, advertenties en vacatureteksten geschreven, beleidsstukken vereenvoudigd, concepten bedacht, handleidingen opgeleukt, merkverhalen geschreven, brochureteksten en blogposts geschreven en mijn verhaal – want dat is het natuurlijk wel – met iedereen gedeeld die naar mij wilde luisteren.

Daar ben ik trots op, om heel veel redenen. Lezers van dit blog weten ongetwijfeld waarom.

Omdat ik zelden te koop loop met mezelf, wordt mij regelmatig gevraagd hoe het gaat. (Graag een euro voor elke keer dat mij de vraag gesteld is.) Mijn standaardantwoord is ‘wel oké denk ik, vervelen is nog niet aan de orde’. Of iets anders flauws in die trant.

Dat is een laf antwoord. Wat betreft de hoeveelheid werk gaat het denk ik gewoon best goed eigenlijk.

Hè kijk, doe ik het weer. Best. Eigenlijk. Wat ik zou moeten zeggen is: het gaat goed. Punt.

Belangrijker voor mij is hoeveel plezier het brengt. Dat is mijn succesmetingsparameter. Niet de hoeveelheid opdrachten of de hoeveelheid gefactureerde uren, maar de creativiteit die het van mij vraagt, de lol die ik ervan heb en de voldoening die ik eruit haal, maar hopelijk ook de mensen waar ik mee samenwerk. Dan volgen die facturabele uren vanzelf wel.

Klinkt als een beklonken zaak. Rust ik nu op mijn lauweren? Nee. Wat mij betreft mag het allemaal nóg wat creatiever. Opdrachtgevers nog beter creatief van dienst zijn. En met elke naar volle tevredenheid opgeleverde opdracht een nieuwe bladzijde schrijven aan Puik Verhaal.

Afijn. In september volgt de jaarterugblik. Tot dan zijn er nog genoeg bladzijdes om te vullen.

%d bloggers liken dit: