Heb Het Er Maar Over

Vertelt doorgaans de waarheid

In onze gang

Dit is mijn gang. Geen deur of richtingsbordje is mij vreemd. Geen geur onbekend. Rechts de brasserie. Links de apotheek. Dat het maar duidelijk is. Wat verderop de kapsalon waar mensen na de zoveelste chemo ongegeneerd de laatste slierten haar weg laten scheren en zich een pruik aanmeten. Een jonge vrouw veegt er de vloer.

Mijn gang ligt ver verwijderd van het nieuwe normaal. Hier geen influencers die selfies maken in Tsjernobyl. Hier geen democratisch gekozen bedriegende misogyne president van een wereldmacht. Hier geen van links naar rechts hossende menigtes. Geen slingers. Geen feest. Hier alleen goed nieuws of slecht nieuws.

Dit is mijn gang en het is onze gang. Het is de weg die wij bewandelen. Zij en ik, de mensen die ik onderweg tegenkom. Mijn lotgenoten. Wat zouden zij hebben? Het is vast erger dan wat ik heb. Iedereen in deze gang heeft wel iets. Misschien wel voor altijd. Misschien hebben ze het een koosnaam gegeven, een identiteit. Ter troost of om het te begrijpen. De gang stelt me gerust. Hier kom je alleen als je iets hebt en ik ben niet alleen.

Ik meld me aan een balie, neem plaats in wachtruimte 3 en sta op als een verpleegster ‘mevrouw Lochs’ roept. Mijn naam, ander geslacht. Ik vermoed niet dat de ene vrouw die er al zit dezelfde achternaam heeft als ik. De verpleegster schaamt zich zichtbaar. Ik maak er een grapje over. Ze glimlacht en steekt even later een naald in mijn arm.
Komt ie, zegt ze.

Elk jaar iets moeten doen waarvan je weet dat het noodzakelijk is, zou eigenlijk geruststellend moeten zijn. Dat is het niet. Het is een donkere wolk aan de horizon. En elk jaar opnieuw is het maar de vraag van waar de wind waait.

Je hebt al vaker een scan gehad zie ik, zegt ze lezend van het formulier. De langste was 45 minuten, lach ik. Oh, zegt ze. Dan hoef ik jou niets uit te leggen. Nee, zeg ik. Ik ben een scanfan. Ik lach. Zij lacht. Humor om het klein te houden.

Eenmaal in de buis dommel ik een beetje weg.

Als ik weer naar buiten loop zijn ze er nog steeds. De ontelbare onzichtbare aandoeningen. De diepe wateren. De confrontatie met de sterfelijkheid. De onrust van de wat als. Iets verderop in mijn gang duwt een verpleegster een bed met daarin een man van mijn leeftijd. Ik kijk naar mezelf. Zijn ogen verraden dezelfde hoop op een goede afloop die ik had. Niemand hier die ergens raar van opkijkt. In de context van een ziekenhuis is niets uitzonderlijk of confronterend. We zijn hier in onze gang, hier mogen we bang zijn.

 

 

PS De uitslag was trouwens goed. En die vermaledijde hangende wenkbrauw, daar gaan we na de zomer het gesprek over aan.

Advertenties

Zorgen dat hij niet verzuipt

Zachtjes hoor ik hem zingen. De melodie die hij hoort duikt direct zijn hart in. Hij zingt een beetje met de rem erop, onzeker over woorden die hij niet begrijpt. Onzeker over waar de gevoelens die hij plots heeft vandaan komen.

Ik sta halverwege de trap.

De oudste is een tiener. Sinds een jaar inmiddels. Zijn kamer wordt steeds meer zijn toevluchtsoord. Zijn plek weg van ons, de zeurende ouders. Zo voelt hij dat. Wij hebben hem altijd veel vrijheid gegeven. Zo min mogelijk opleggen, maar juist zoveel mogelijk toestaan onder onze begeleiding en uitleg. Het sluipt erin, de puberteit. Zijn meningen, zijn gedrag, zijn voorkeuren. Langzaam begint het afzetten tegen de gevestigde orde in huis. Zich tegen ons afzetten en muziek zijn twee handen op één buik.

Ben je muziek op YouTube aan het luisteren, zeg ik terwijl ik op de bedrand plaatsneem. Ik hoorde je net zingen, vervolg ik met een glimlach. Hij kijkt me betrapt aan. Wangen gloeien rood.
Ik probeer het, antwoordt hij. Het is mijn favoriete liedje.
Ik zong ook altijd mee, zeg ik en terwijl ik het zeg zie ik mijn vader halverwege de trap in mijn ouderlijke huis staan.

De zoon heeft zowat elke week een nieuw favoriet liedje. Zoals ik al zei, smaak staat in de steigers. Op zijn leeftijd is dat goed. De snelheid van fluctuerende smaak brengt uiteindelijk alles wat goed en slecht is te berde. Hij stelt zich open, probeert en ervaart. En wat raakt, dat blijft. Op zijn minst maakt hij zijn belevingswereld groter.

We leren hem om de wereld vanuit verschillende perspectieven te bekijken, hoe moeilijk dat soms ook voor hem is. Als kind van ouders die allebei naadloos aanvoelen wat een ander voelt, heeft hij wat dat betreft een voorsprong. In het zoekende brein van een bijna 11-jarige zijn al die onbekende gevoelens van vreemden en hoe ze zich op hem projecteren overweldigend. In die overvloed zou hij zomaar kunnen verzuipen. Het is aan ons om de badrand te bewaken.

Wat luister je? Mag ik het zien? Hij luistert naar Imagine Dragons zie ik op het scherm van mijn oude mobieltje. Formuleliedjes. Gladgestreken poprock. Ik dring hem mijn mening niet op. Ik snap hem. (Ooit vond ik You Give Love a Bad Name wel te behappen.) Op zijn leeftijd is het brein extra ontvankelijk voor eenvoud en herkenbaarheid.

(Ik heb het overigens even gecheckt. Imagine Dragons stond in de playlist van KinkFM direct voor Stinkfist van Tool. Dat stelde me toch een beetje gerust, al vermoed ik dat Tool nog een beetje teveel gevraagd is voor hem. Later misschien, hoop ik zeldzaam naïef.)

Toen ik bijna 11 was draaide ik het ‘Best of Elvis’ cassettebandje van mijn ouders letterlijk kapot in het oude spelertje van mijn vader. Muziek ontdekte je toen alleen op de radio, via via of gravend in de collectie van je ouders. Toen ik eindelijk ontvankelijk was voor muziek liep ik meteen Iron Maiden tegen het lijf en niet The Cure. Via via. Een beslissend moment.  De keuze was destijds overigens allesbehalve reuze. Het was of metal of new wave. Of Top 40, wat simpelweg betekende dat je van alles hield, behalve van metal of new wave. Het leven was zo ingewikkeld nog niet.

Ik ben al blij als zoonlief niet van die algoritmevriendelijje autotunemeuk gaat houden. Al zal ik dat zo nooit tegen hem zeggen. In die zin verwacht ik dat Imagine Dragons voor hem een opstapje is naar meer diepgang en culturele en creatieve uitdaging dan – ik noem maar wat – de laatste track van Josylvio of Jacin Trill. Iedereen zijn ding natuurlijk. Zoals ik al zei, muziek gebruik je ook om je af te zetten tegen je ouders. Met Josylvio op een dienblad gaat dat geheid prima lukken.

Kunstkeuzes worden anno nu veel meer gemaakt op basis van wat de algoritmes je voorschotelen, dan waar je zelf je best voor doet. De uitdaging van zijn generatie is om daar uit te durven stappen. Je moet juist naar de bron zoeken, niet kritiekloos opvangen wat de monding uitbraakt. Ook dat zal ik hem zo niet zeggen, maar vergeef het me als ik hem hier en daar een beetje probeer te sturen.

Wanneer ik weer naar beneden loop hoor ik hoe hij ‘Write down my poems for the few’ foutloos meezingt. Dat hij niet goed weet wat de woorden betekenen en waar ze voor staan geeft niks, alles beter dan ‘Je bent er altijd meisje, je hebt je verstand en je bankpas bij je’ of iets van vergelijkbare strekking. Die woorden zou hij namelijk wel snappen. Het zou hem geen centimeter dichter richting nieuwsgierigheid bewegen. Wel heel dicht bij een zwaar geïrriteerde vader.

%d bloggers liken dit: