Heb Het Er Maar Over

Vertelt doorgaans de waarheid

Het Mannetje

R. en ik zijn onhandig. Ik overigens meer dan R. En we zijn ongemotiveerd. Ook daarin streef ik R. voorbij. Wij zijn het 21ste eeuw cliché van ‘de drukke, werkende ouder’. Ik overdrijf. Er zijn in de dagelijkse gang van zaken vooral een aantal kwesties waar we geen zak zin in hebben en waar andere mensen gewoon veel beter in zijn.

Vraag mij om een heg te snoeien of een lamp op te hangen of een muur te schilderen en je weet dat ik het eerst maanden uitstel om er uiteindelijk tegen heug en meug een potje van te maken. Dat is niet goed voor de relatie, niet goed voor de sfeer in huis en heel erg slecht voor mijn hart.

Bovenal, ik wil never nooit door John Williams worden verrast als ‘de klussende kneus’.

Als je dat allemaal van jezelf weet huur je ‘mannetjes’ in. Overigens zijn er ook vrouwen (zeg nooit vrouwtjes), maar die zijn dramatisch in de minderheid. Ik beperk me dus tot de mannetjes. En mannetjes hebben twee dingen gemeen. Bijna iedereen heeft ze wel eens nodig en ze zijn zo goed als onbereikbaar. De telefoon nemen ze niet op. Mailtjes (haha). Appjes worden niet gelezen. Afspraken worden min of meer niet nagekomen of soms wel en dan slechts sporadisch.

Zo hebben R. en ik mannetjes voor de tuin, voor de watergroep, voor de isolatie/raamgroep en voor de hout- en verfgroep.

Ze zijn dus gewild die mannetjes. Pijnlijk voor ons is dat ze kunnen doen waar ze zin in hebben. Zakelijk gezien dan. Commercieel hoeven ze immers nauwelijks te zijn. Ze kunnen vragen wat ze willen en daar redelijk consequentieloos mee doen wat ze willen. Voor ons immers tien anderen. Vriendelijk hoeven ze ook al niet te zijn.

Mijn twee linkerhanden zijn daar ketsjaloers op.

In mijn vakgebied – de schrijverij – is kwaliteit wél belangrijk, onderscheidend zelfs. In mijn vakgebied is de afspraakvastheid wel belangrijk, is het contact wel belangrijk, is de prijs – soms – wel doorslaggevend. Afijn, alles is eigenlijk belangrijk. En laat je op een of op meerdere vlakken steken vallen, dan voor mij tien anderen. De omgekeerde wereld dus.

Dan denk je, misschien moet ik de mannetjes daarover adviseren. Ja toch? Nee dus. Volkomen zinloos. Sterker nog, het is volkomen zinloos om de mannetjes überhaupt te adviseren over communicatie. Over hun verhaal. Over onderscheidend zijn. Over imago en reputatie. De grap is dat ze niet eens hoeven te communiceren. Dat is zó passé.

De beste reclame is nog steeds mond tot mond. Maar omdat de vraag naar hun zo groot is, sta je meteen achteraan in de rij. Oh hebben jullie een loodgieter nodig, hier – schuift telefoonnummer over de tafel. Je moet wel 100 keer bellen, maar dan heb je ook wat.

Klote wordt het als mannetje A. niet kan en zelf mannetje B. voorstelt, waar je dan maar op vertrouwt en dat mannetje B. mannetje C. meeneemt die een zwijgzame plintenzetter is, die op het oog, prima plinten zet. Plinten die een paar maanden later vervolgens kansloos loslaten (prutlijm) en de verf druk vlokkend verliest bij elke aanraking en je dus een jaar na dato met 10 strekkende meter losse plinten zit.

In mijn vakgebied denken nog steeds veel mensen dat ‘ze het zelf wel kunnen’. Noem ze gerust de ‘mannen die door John Williams in de bouwvallige hoek worden gezet’. Gelukkig zijn er ook genoeg opdrachtgevers die verdomd goed van zichzelf weten wat ze wel en wat ze niet in de vingers hebben. Die schakelen mij als hún mannetje in. Soms ga ik zelf op zoek. Maar alleen als ik een potentiële opdracht/bureau/iemand zie waar ik 100% van weet dat ik 100% blij van word. Wat dat is het geheim van alles. Of ja, van mij dan toch. Want als ik er niet blij van word, dan wordt het namelijk niks. Of beter gezegd niks bijzonders. Dan ben ik namelijk mannetje C., de plintenzetter.

Cirkel rond de prikvreugde

Wat gaat het opeens snel hè. Zo lijkt het erop dat zomervakantie #2 in duigen dreigt te donderen, ligt er plots een prik-uitnodiging op de deurmat. Alsof iemand het licht aanknipt in de kelder. Voor de goede orde; ik ben geen schaap en ik voel me niet onder druk gezet door de plandemie. Wel heb ik mijn lijf als ex-roker, ex-drinker en ex-softdrugsgebruiker jarenlang volgestopt met écht gif. Laat ik niet hypocriet doen.

Onlangs twitterde Hugo superenthousiast dat de generatie van ’70 een prikafspraak kon maken. Eerste waar ik aan dacht was; yes en meteen daarna aan het nummer ‘Hey Man, Nice Shot’ van de Amerikaanse band Filter; zeg maar de Rammstein voordat de Duitse Rammstein een big deal werd. Het leek me geinig om het hoesje van de single te koppelen aan mijn prik-uitnodiging. Plaatje-praatje. Flauwleuk.

Het ‘zogenaamd experimentele vaccin’ zelf kan me niet veel schelen. Zoals ik al zei, van mijn 15e tot pak hem beet mijn 35ste heeft mijn lijf wat dat betreft al het nodige te verduren gehad. De naald waar het goedje door naar buiten wordt geforceerd echter wel. Ik heb het gewoon niet zo op naalden. Wat vreemd is, aangezien ik ze zowat overal in mijn lijf heb gehad. In mijn ruggenwervel, in mijn hoofd, in mijn benen, in mijn vingers, mijn rechterbil, mijn armen. Scherpe voorwerpen in mijn lijf, liever niet. En dan tel ik het laten tatoeëren niet eens mee. Dat is alleen maar wat schrapen aan het oppervlak.

Een ‘nice shot’ dus. Op zoek naar een afbeelding om de prikvreugde te delen, kwam ik ook het verhaal achter het liedje tegen. Filter heeft zich – zo lees ik – laten inspireren door ene R. Budd Dwyer. Een politicus uit de VS die beschuldigd werd van corruptie en zelfmoord heeft gepleegd tijdens een door hem zelf belegde persconferentie. Loop in de mond. Totale chaos. Vijf cameraploegen filmden de wanhoopsdaad. De opnames staan op YouTube. Je bent bij deze gewaarschuwd.

Ik was namelijk onvoldoende gewaarschuwd.

Flashback naar 1984. Als tieners fietsten we regelmatig naar de videotheek in de haven van Stein. Er waren altijd wel ergens ouders niet thuis. Die vrijheid slurpten we gulzig op met cola, chips en horror. In de videotheek dansten we altijd luid rumoerend – typisch tieners – langs de horrofilmhoesjes. Deze? Die dan? Of nee, deze! We baseerden onze keuze uitsluitend op de onsmakelijkheid van het hoesje. Evil Dead, City of the Living Dead, Zombi 1 en 2. Dikke horror. Veel ‘slashers’ ook.

Waar we ver van wegbleven was de Faces of Death-serie.

Dat zat zo. De Faces of Death-films waren een optelsom van ‘echte fragmenten’ van ‘echte mensen’ die ‘echt doodgingen’. Een soort van snuff-film achtige documentaire, maar dan met verschrikkelijke ongevallen. (Althans, dat was het verhaal. Later bleek dat veel opnames wel degelijk geacteerd waren.) We keken naar horror juist omdát het nep was. Als iets echt is of dat suggereert te zijn, dan werd het ongemakkelijk. Dan was je een voyeur. Dan glipte je een morele grens over. Terugblikkend waren wij tieners met principes. Overigens werd in ‘93 nóg een Faces of Death-vervolg uitgebracht, met daarin – tadaa – de zelfmoord van R. Budd Dwight.

Dat gevoel dat ik als tiener had, turend naar het Faces of Death-hoesje werd bevestigd door de zelfmoord van Dwight. En dat allemaal omdat ik in mijn haast kinderlijke onschuld de prikvreugde van een knipoogleuke afbeelding wilde voorzien. Mijn brein heeft de smerigste horror gezien en veel daarvan ben ik allang weer vergeten, maar het beeld van Dwights zelfmoord gaat niet meer weg, niet omdat het per se echter uitziet dan een film, maar omdat ik weet dat het echt is. Een moreel uitgebalanceerd brein trekt dat niet.

Die man sterft op beeld en daar kan ik van alles van vinden, maar het feit dat ik er van schrok geeft aan dat het met mijn morele kompas blijkbaar goed zit. Dat maakt het kiezen van een afbeelding met zo’n verhaal toch net effe een stuk minder leuk dan ik aanvankelijk dacht. Het goede nieuws is dat de afbeelding dan weer wel heel goed bij deze blogpost past. En als ik iets leuk vind is het wel de cirkel rond schrijven.

%d bloggers liken dit: