Heb Het Er Maar Over

doorgaans de waarheid

Occasion

C963B5C5-CFC5-4E58-83E3-3EDD38708D5E.jpeg

300.000 op de teller en een kapotte 12v-aansluiting. Overigens zou dat laatste ook zomaar een kapotte zekering kunnen zijn, of het blijkt – eenmaal bij de garage – dat de reparatie duurder is dan de auto zelf. In elk geval gaan we niet naar Frankrijk zonder digitale animatie voor de kinderen. No way. Dan maar de auto eruit.

Zo makkelijk verzin ik een aankoopexcuus. En deze: ‘Ik rij liever niet naar Frankrijk met 300.000 op de teller. Ik vertrouw het niet meer hoor.’

Auto’s zijn net mensen. Op een gegeven moment is het op. Vernieuwing trappelt om je ouwe restjes aan de kant te duwen. Nieuwe auto dus. Of anders gezegd; een nieuwe, al bestaande auto. Een occasion. Een tiener, in ons geval.

Onze aankoopaanpak is eenvoudig. Open internet. Filteren op ‘laag aantal kilometers’, jaartje of drie oud en af te halen binnen de postcode. Vervolgens proefritje aanvragen, handjeklap en afhandelen. Zo gefikst. Niet te moeilijk over doen. We zijn niet op zoek naar de kip met het gouden ei.

Waar je niet omheen kunt – ongeacht het aankoopscenario – is de autoverkoper en dat zijn bijzondere mensen. Hoef ik verder niet uit te leggen. Ze weten heel goed dat wij – argeloze kopers – geen woord uit zijn mond vertrouwen. Trouwens, waarom zie ik nooit vrouwelijke autoverkopers?

Handjeklap dus. Beschik ik over onderhandelkwaliteiten? Nee. Ben ik meedogenloos. Nee. Ik vraag hooguit of er 100 euro af kan, maak me daar al dagen van tevoren druk over en lukt het, dan beschouw ik dat als een fantastische, persoonlijke overwinning. Het gevoel dat Almere City FC heeft als Barcelona met 9-0 verslagen wordt. Zoiets. En voor die 100 euro eraf kan ik vervolgens mooi een fuzzpedaaltje kopen.

Ik onderhandel dus niet. Daar heb ik iemand voor. Te weten R.

Toen R. en ik voor het eerst samen een auto kochten kromden mijn tenen. Misschien ben ik te inlevend en voel ik de vernedering die de autoverkoper beleeft. Heb ik teveel met hem te doen, vooral als ik denk dat ik een traan in zijn ooghoek zie. R. is namelijk een meedogenloos onderhandelaar. Zit in de familie overigens. Het gerucht gaat dat ze op een straatmarkt in Indonesië ooit complimenten kregen voor hun onderhandelingsdoortastendheid. Ik bedoel maar; op een straatmarkt! In Indonesië! Complimenten!

Deze keer krommen mijn tenen niet. Ik ga er eens lekker voor zitten, sla mijn armen over elkaar en denk er een bak popcorn bij.

Het spel gaat van start. De kaarten dicht tegen de borst. Hier wordt op niveau gepokerd, zoveel is duidelijk. De ervaren verkoper (werkzaam in die functie sinds 1989 zoals hij trots proclameerde) en de hussler, die het op rommelmarkten heeft geleerd.

R. bewaart haar wapens goed. Het sterretje in de ruit, gezien? Geven, nemen. R. wil zoveel mogelijk nemen. Hij wil zo min mogelijk geven. En van de middenweg houdt niemand.

Zoals ik al zei, ik had absoluut gewoon de vraagprijs betaald.

Waar denkt mevrouw aan?, zegt hij voorkomend. Glimlach. En u raapt me wel op als ik van mijn stoel val, toch? Routinegrapje.
R. noemt een bedrag.
Hij valt niet van zijn stoel, ik wel. Dat ze dat durft, denk ik. Jemig.

Laat me even een telefoontje plegen. Effe bellen, zegt hij. Kijken of we wat kunnen.

Wie gaat hij in godsnaam bellen?, vraagt R. als de verkoper uit ons zicht is.
Wie is we?
En wat kunnen we?
Ik kijk haar vragend aan. Weet ik veel. Een andere verkoper denk ik, zeg ik. Misschien moet ik dit filmen, vul ik lachend aan. Voor toekomstige autokopers. Voor de workshop ‘Koop die auto voor de prijs die JIJ wilt betalen, niet voor de prijs die ZIJ willen dat je betaalt.’ We lachen.

Nog ’n kopje koffie? vraagt hij voordat hij weer gaat zitten. Onderdeel van het spel.

Hij mompelt wat, tikt wat op zijn toetsenbord, schrijft iets op en zegt opeens trots: Ik kan u nog 300 tegemoetkomen. Mooie prijs hoor, vult hij aan.

Ik kijk naar R. Ik zie het in haar blik. Ze geniet van dit spel. En zij ziet in zijn blik dat we nog niet het onderste uit de kan hebben geschraapt.

Nou, zegt R. Daar kan best nog eens 300 af. In mijn gedachten hoor ik plof en valt hij van zijn stoel. Jullie zouden me toch oprapen? vraagt hij.

Ik denk dat autoverkopers scenario’s gebruiken in de onderhandeling. Een soort script. Is de onderhandelende partij ‘pittig’, dan wordt het Code Rood-scenario ingezet. Het telefoontje dat hij pleegt is louter om toestemming te vragen. Clearance. Het Code Rood-scenario is hun troefkaart.

Zet het ‘zeer geïnteresseerd koppel uit Deventer’ maar in, doet het altijd goed, zegt de stem aan de andere kant van de lijn. Akkoord. Go! Hengel ze de boot in.

Hij keert terug, ploft een stapeltje papieren demonstratief op het bureau en zegt: Nou. Kleine zucht.
Drama insinueren.
R. glimlacht een tikkie meewarig. Ik heb mijn collega gesproken, vervolgt hij. En wat blijkt nu, dit is echt ongelofelijk, er is op dit moment een stel uit Deventer onderweg, speciaal voor jullie auto.

R.’s ogen rollen.
Ik ben daar een tikkeltje naïever in en wil graag – al is het maar voor een seconde of twee – geloven dat inderdaad een stel onderweg is.
Nou ja zeg, da’s sterk, zegt R. En toevallig ook.
Haar toon laat niets te raden over.

Ja, ongelofelijk. Dit heb ik ook nog nooit meegemaakt, zegt hij. Ik wacht even op een belletje van mijn collega.
Waarom?, zegt R.
Mijn collega gaat het stel bellen, laten weten dat jullie de auto graag willen aanschaffen.
Niet om u onder druk te zetten hoor, lacht hij.
Dit is een grap toch zeker?

Hij ontkent.

Hoe dol wil je het hebben? Deze onderhandeling had allang afgerond moeten zijn. Handjeklap, weet je nog. Deal. Gefeliciteerd. Kunnen wij snel nog een beetje genieten van de uurtjes zonder kinderen.

Stel of geen stel uit Deventer, ik wil toch tot die 400 gaan, zegt R.
Hij kijkt – ervaren als hij is – als aangeschoten wild. Ik zou geconfronteerd met zo’n blik de boeken sluiten, R. is er ongevoelig voor.
Doet u dat in de supermarkt ook zo?, lacht hij, staat op en mompelt iets over een sigaretje roken.

Nou, zegt R. Ik stel voor dat we dit eerst even afronden. Hij stemt in, oogt vermoeid. Al kan dat gespeelde vermoeidheid zijn. Hij schuift weer aan.

Kille blikken aan tafel. Wie buigt eerst? Dit is potjandorie spannender dan Will Kane die Frank Miller bangstaart in High Noon. Wie trekt zijn revolver eerst en wie gaat neer.

Dan. Zijn gezichtsplooien doen iets. Er ontstaat een lichte trilling. Mondhoeken bewegen lichtjes. Zijn hoofd maalt. Elke eerdere inschatting die hij van R. maakte zat er mijlenver naast. Hij wil zijn hand niet overspelen. Hij moet. Kan niet verder. Kan niet meer, het gaat niet meer. En geeft toe.

Oke, zegt hij en steekt zijn hand uit.
We schudden handen. Lachen.
Een druppeltje zweet rolt van zijn voorhoofd.
R. heeft genoten van het onderhandelingsspel. De beste man heeft er hard voor moeten werken, maar wel een auto verkocht en ik heb een nieuwe blogpost.
Ik tel alleen maar winnaars.

Advertenties

De dag voor de regen…

IMG_0104

Rouw kent geen regels of voorwaarden. Peter Zantingh schrijft in zijn boek Na Mattias het volgende: “Rouw is als een schaduw. Hij voegt zich naar de stand van de zon, staat ’s ochtends anders dan ’s avonds. Hij leunt donker en geduldig tegen de muur, strekt zich in volle lengte uit over asfalt of trekt achter je rug zijn reliëf over te lang niet gemaaid gras, sierlijk dreigend als een slang.”

Geen idee of Zantingh ook zo’n rake omschrijving over crematie-as heeft – ik heb het boek niet gelezen. Ik weet inmiddels wel dat je met crematie-as best veel mag. Je mag de hoeveelheid as bijvoorbeeld splitsen. En uitstrooien mag overal, al geldt wel het advies om eerst toestemming te vragen. Let wel: Een advies dus, geen regel.

Over as doe ik een beetje lacherig. Het is grijs, ruikt een beetje raar en er is altijd meer dan je in eerste instantie denkt. Maar het is niets. Het is geen lichaam, het is geen geest. Het is een soort afval. Een achterblijfsel. Je kunt van dat strooien iets gigantisch maken, iets ceremonieels, maar het is uiteindelijk niets. En het zal ook niets meer worden.

Rol mij maar een berm in zei hij wel eens. Of in een heg. Dan lachte ik. Ongemakkelijk, want hij keek er altijd zo serieus bij. Er was geen balans tussen de ernst van zijn blik en de humor van zijn boodschap. Duidelijk was wel dat mijn vader zich zeer wel bewust was dat na de dood, mits eenmaal voltrokken, het lichaam er niet meer toe deed.

Nu is hij zelf aan de beurt. Mijn vaders’ as zit in een pot. Hoe vreemd het misschien ook klinkt, dat raakt mij niet. Het strooien van de as is niets meer dan een stap in het rouwproces. De pijn van het verlies van mijn ouders staat mijlenver van wat ik voel voor de as in de pot. Zo zie ik het. We wilden er vooral geen toestand van maken. Zou pap ook niet doen, dat weten we. Maar vooral, de laatste vijf maanden zijn verdrietig genoeg geweest. We snakken naar afronding. Naar rust.

Kijk, zegt mijn zus lacherig.
Ze zet een paars doosje met zo’n handig handvat neer.
Het lijkt op zo’n Greetz-verrassingsdoosje, lacht ze.
We zijn op onze geheime plek.
In de doos zit een kunststoffen urn die afgesloten is met een zilverkleurige deksel. Een neutraal antracietkleurig lintje hangt eruit om de deksel mee te openen. Wij turen onbeholpen naar de pot. In onze hoofden klinkt dezelfde vraag.

Hoe doe je dat in godsnaam, de as van je vader uitstrooien?

Dit lijkt wel een scene uit Seinfeld, glimlacht mijn zwager. We staan rond de pot. Wat zou George nu doen? Of Kramer? George zou stiekem weglopen en de pot ergens op de stoep laten staan. Of bij iemand voor de deur. Weglopen van je verantwoordelijkheid. Typisch George Costanza.

De as ergens in de VS – zijn favoriete vakantieland – strooien was ook een optie, maar dan wordt het zo beladen. Bovendien, aan het internationaal vervoeren van een zak as kleven vast een hoop regels en moetjes. Dan liever wat dichter bij huis. Bovendien, het zou de volgende dag gaan regenen dus what the hell.

De zak wil niet uit de pot. Voorzichtig trekken we eraan, bang als we zijn dat hij scheurt en de inhoud ons omwolkt.
Misschien moeten we eerst wat as eruit lepelen, stelt mijn zwager voor. Dan wordt de zak dunner.
Hij graait rond in zijn tas.
Kijk, z’n favoriete soeplepel, lacht hij na het Douwe Dabbert-achtige momentje.
We lachen allemaal.

Daar komt dus de uitdrukking ‘in zak en as zitten’ vandaan, van het niet weten hoe je de zak met as uit de pot krijgt en er dan hulpeloos bij gaan staan kijken.

Ik check de wind. Uit het noorden. Aha. Met kleine schepjes scheppen we as uit de zak en laten het op het gras vallen. De lichte deeltjes dwarrelen weg in de wind, de rest eindigt in het gras. Vijftien minuten later klop ik het laatste restje eruit.

In de pot zit behalve de plastic zak met as, ook een ronde vuurvaste steen met daarop een nummer dat correspondeert met de crematie van mijn vader. Om ongelukkige verwisselingen te voorkomen. Het blijft natuurlijk wel mensenwerk.

Wil jij die steen hebben, vraagt mijn zus.
Ik lees het nummer.
Dela noemt mijn vader #521344.
Nee, zeg ik. Gooi hem maar in een berm.
Laten we er maar om lachen, wat moeten we anders?
We hebben genoeg gehuild.

%d bloggers liken dit: