Heb Het Er Maar Over

Vertelt doorgaans de waarheid

Het tuinhekje en/in de vijver

490C3B17-E8B0-4D03-B975-175654FB78D6.jpeg

Aan de deur staat ‘de aannemer’.

Zo noemen we hem. Hij is een gedrongen senior die door zijn hoofd een tikkeltje naar achteren te duwen groter lijkt dan hij is. Een fervent roker ook. Secuur als het om z’n Kia gaat. Brommerig van houding doorgaans. Geen kwaaie kerel verder. Geeft de werklui in de straat graag vrijblijvend advies. Vandaar zijn bijnaam. Die adviserende rol geeft hem voldoening. Een doel. Dat neem ik aan, want wat weet ik nou? In elk geval staat hij graag met zijn neus vooraan.

Hij deed het weer hoor, hoor ik opeens in de gang. Met hij bedoelt hij onze oudste. Ze hebben een moeizame relatie die twee. De oudste trekt belletje of maakt een gek dansje bij de aannemer voor het raam, waarop deze een beetje boos wordt en na elke derde keer dat iets voorvalt bij ons aanbelt. Waarop wij de oudste wederom zijn excuses laten gaan maken. Ergo. Ze zitten met z’n tweeën in een vicieus cirkeltje.

Feit is dat de oudste niets doet wat meneertje aannemer ook niet heeft gedaan toen hij nog maar een aannemertje was.

Intussen houd ik me koest op de bank. Als tienjarige haalde ik ook het bloed onder de nagels van dorpsgenoten vandaan. Laat ik dus maar even afstand bewaren, in plaats van begrip faken. Of alles vergoelijken.

Ons – ik was niet alleen – populairste slachtoffer woonde bij de kerk om de hoek en ging gebukt onder een weinig charmante bijnaam. Letterlijk. Daar bovenop had hij een zoon die we niet zo mochten en een familie die in het dorp een soort van twijfelachtige reputatie had. Al vermoed ik wel dat een en ander aangedikt werd door roddel en achterklap. Er woonde ook nog een vrouw in het dorp waar we de voetbal nooit uit de tuin durfden te halen. Ze had veel ballen op het laatst. Ik denk, moet je maar niet naast een voetbalveld gaan wonen. Afijn.

Het was vooral hoe de man die gebukt ging onder zijn bijnaam reageerde, wat ons als kinderen intrigeerde. Te weten: fel. Luchtbuksfel en ‘godverdomme ik sluit je op het schoolplein op’-fel. Vooruit, wij speelden het spel ook niet redelijk. Als D.T. niet had gedaan alsof hij met zijn vingers kogels afvuurde, had de beste man nooit op ons hoeven schieten. En als ik zijn zoon niet met de rolschaats een trap in z’n gezicht had verkocht, had hij me nooit op het schoolplein op hoeven sluiten (hij was de officiële poortwachter van het schoolplein, waarschijnlijk omdat hij ernaast woonde).

Mijn vader leek te begrijpen waarom we stomme fratsen met hem uithaalden en waarschuwde ons voor de consequenties. Dat kon wel eens verkeerd uitpakken, zei hij dan en keek op een manier die onuitgesproken toestemming verried. Het mocht allemaal niet baten.

Op een van onze nachtelijke zwerftochten door het dorp – we waren inmiddels al wat ouder en kampeerden in een weilandje langs de Maas – mikte M. het tuinhekje van het betreffende slachtoffer in de vijver, brak zo de gemetselde bak waardoor het water van de vijver wegsijpelde en de gehele vispopulatie volkomen zinloos kwam te overlijden. Het was dezelfde vijver waar I. jaren daarvoor al een pak wasmiddel in had geleegd.

Toen de beste man na het hekjesincident terecht verhaal kwam halen, hielden wij ons laf schuil in onze tenten. Wij hebben ons naar mijn weten nooit verontschuldigd.

Sorry nog…

Advertenties

Puik verhaal zeg…

E969E305-B492-42FB-9923-ED0E44E7A6B2.jpeg

Hij heeft een Marvel superheld verzonnen. Jay Steward, zo heet hij. Vindt hij een Marvelachtige burgernaam. Net als Tony Stark, mompelt hij ter verdediging. Ook wel bekend als Iron Man.

Wild gesticulerend vertelt hij dat Jay kan veranderen in een vliegende panter. Ik lach hardop om de herinnering. Wist je dat Anton de schooldirecteur van de Luizenmoeder vroeger ook een vliegende panter was?, zeg ik. Grote ogen kijken me aan, alsof hij net ontdekt dat het wiel dat hij heeft uitgevonden al 10.000 jaar bestaat.

Een Flying Panther dan, vervolgt hij. En die panther heeft ijzersterke reflexen, een ongelofelijke snelheid en waanzinnige krachtsexplosies. Oh en laserstralen die dan uit zijn klauwen schieten. Dat allemaal samen is zijn superkracht. Overigens ligt enige verwarring met de Black Panther op de loer. Lacherig wimpelt hij dat weg met een ‘je snapt er ook niks van’.

Ik leer dat Jay Steward een knop op zijn borst heeft die in contact staat met geinjecteerd panter-super-dna in zijn ledematen en op zijn rug, waar onmiddelijk na het indrukken vleugels verschijnen. Eén druk op de knop en al zijn kracht verschijnt. Hij doet voor hoe Jay zonder pak of technofrutsels van een gebouw duikt en tijdens de val een klap op zijn borst geeft.

En BAM! Daar zijn ze! De vleugels! Lasers!

Ter illustratie heeft hij zijn knuffelpanter voorzien van allerlei snufjes en toefjes van dit en dat.

Ik luister aandachtig naar zijn verhaal. Zijn opzetjes worden steeds rijker en gevarieerder.

Ik geef hem – vrijblijvend, let wel – wat aanvullende ideeën. Leuk al die lasers, maar waarom? Waar zit de pijn, waar zit Jay’s struggle? Dus stel ik voor dat Jay als wetenschapper bij SHIELD werkt en zich niet serieus genomen voelt door de Avengers en daarom wil laten zien wat hij kan. Wat hij waard is. Zijn eigen schurk creëert uit een soort kinderlijke afwijzing. Later blijkt dan ook dat hij vaker afgewezen is in zijn leven en een serieus hechtingsprobleem heeft. Leuker nog, afwijzing is de rode draad in zijn leven. Dat geeft een mooi laagje extra diepgang aan het verhaal.

Trouwens, mocht je onbekend zijn met het Marvelwereldje, SHIELD is een antiterroristische veiligheidsdienst met de Avengers als een soort knokploegje met superkrachten. Knokkend voor een veilige wereld. Een soort van NATO, maar dan sexy en razend effectief.

Afijn, allemaal ideeën om de basis van het verhaal te verstevigen.

Hij luistert aandachtig. Oké, zegt hij. Dat is best aardig. Maar ik wil liever dat de boeven Jay’s gezin gijzelen en dat de Avengers het veel te druk hebben, want er is veel criminaliteit in Amerika en dat hij dan zelf de schurken gaat vangen.

…En dan alsnog bij de Avengers mag, vul ik enthousiast aan.

Ik luisterde als kind nauwelijks naar de tips van mijn vader. Ook niet als tiener. En als twintiger knikte ik alleen maar van ja, elke keer als mijn vader mij hielp met ideeën. Ik nam hem onvoldoende serieus. Wat weet jij nou, dacht ik dan. Een achterlijke  tienerrebelsheid was het. Ik was eigenwijs, ik zou er zelf wel uitkomen.

Mijn vader bleef tot aan het einde van zijn leven mijn adviseur en raadgever. Het was alles waarmee hij zijn vaderlijke taak nog kon omarmen. Mij vrijblijvend te prikkelen, waar mij dat zelf niet lukte. Het was uitsluitend mijn vaders’ enthousiasme en zijn haast grenzeloze overtuiging dat ik meer kon dan dat ik wilde.

En nu lijk ik op hem. Al moet ik toegeven dat de ideeën die zoonlief uit zijn mouw schudt nu al goed zijn. Nu al rijker en dieper verweven zijn dan die van mij toen ik tien was. Maar – ja sorry hoor – ze zijn niet zo goed als die van mij nu. Maar dat ga ik natuurlijk niet zeggen, deed mijn vader ook nooit. Dat ontdekt hij op een dag zelf wel, als hij zijn kinderen gaat adviseren en prikkelen. Dan zal mijn taak als vader er ook opzitten.

%d bloggers liken dit: