Heb Het Er Maar Over

doorgaans de waarheid

Voor de dropjes en de rest

7C38D4C8-E10D-47A7-A02D-D4C710423048

We waren in mijn ouderlijk huis. Mijn zwager en ik verhuisden dozen. Een deel zou naar de opslag gaan, de rest naar de vliering bij mijn zus. We haalden de dozen uit een huis waar niemand meer in woonde. Waar de geest uit was.

Stapelen, sjouwen, verhuizen; we hebben het vaker gedaan. Ergens tussen doos nummer zestien en het ophalen van het busje kreeg mijn zwager een berichtje van mijn zus. Of hij me wilde vertellen over tante Lies, de oudere zus van mijn moeder.

Het ging opeens heel slecht met Lies, er was gekozen om haar te laten gaan. Om haar in te laten slapen; een naar eufemisme voor sterven. Een woord dat gevreesd wordt.

Een tijdje terug is Lies gevallen. Ze viel wel vaker de laatste tijd. Een narcose en operatie pakken vaker slecht uit dan goed op die leeftijd. Ze was 84 en kwam er niet meer bovenop.

Daar stond ik dan, in het huis van mijn ouders. Hun spullen in dozen. Ruimen. En een dorp verderop mijn tante die nu snel zou gaan sterven. De struisvogel die ik werd toen mijn moeder opeens hard achteruit ging werd ik nu niet. De realiteit was onverbiddelijk. De les was geleerd. Ik wist dat het snel afgelopen zou zijn.

Ik voelde het niet. Ik had geen ruimte voor de emotie en dat maakte me verdrietig. Boos. Het verdriet voor mijn ouders stond geen indringers toe. Er was geen rouwkamer meer beschikbaar in mijn hoofd. Het verdriet kwam pas toen ik mijn tante zag liggen, in dat bedje in dat kleine kamertje in dat verzorgingstehuis waar ze door nood gedwongen de laatste fase van haar leven moest doorbrengen.

Mijn tante is op dit blog al een keer onderwerp van schrijven geweest. Zelf had ze geen kinderen, ze had ons. Haar neven en nichten. Wij maakten haar kleine wereld een stukje groter. Ze was altijd hysterisch blij als ik op bezoek kwam. Lies was de tante die je bij wijze van spreken doodknuffelde. Die kaarsjes voor je opstak in het kapelletje verderop in de straat. Die je nieuwe huis doortastend schoonmaakte vlak voor de verhuizing.

Een samenloop van omstandigheden maakte dat ik in de buurt was op het moment dat ze ons – haar nichten en neven – allemaal nog even nodig had. Terwijl ik dozen met daarin spullen van haar overleden jongere zus stapelde, glipte een dorp verderop haar geest er langzaam maar zeker tussenuit.

Mijn zwager en ik reden de dozen weg. Sjouwden en stapelden. We klopten onze kleren af en ik ging met mijn zus naar onze stervende tante. De manier waarop ze in bed lag, hoe ze keek terwijl ze niet keek. Het bracht pijnlijke herinneringen naar boven. Ik baalde van de hiërarchie die ik mijn verdriet moest geven. Mijn ouders overleden veel te jong. Mijn tante heeft een mooie leeftijd bereikt. Het zat elkaar allemaal in de weg.

Mijn nichten waren er al. Er was hectiek. Drukte. Gepraat. Er werd gehuild. Mijn familie heeft het de laatste maanden flink te verduren gehad. Ons verdriet was – in mindere mate maar toch – ook hun verdriet. Ze kenden mijn ouders langer dan wij ze gekend hebben. Iedereen in de kamer heeft klappen gehad.

Mijn tante is een paar weken geleden gecremeerd. Er werd teruggeblikt. Haar levensverhaal is net zo klein als haar huisje. In het kleine was ze op haar gemak. Ze hoefde de rest van de wereld helemaal niet. En zoals ze van anderen hield, hielden anderen van haar.

Voor de rieten kist stond het porseleinen bakje met dropjes dat ze thuis altijd op een kastje had staan. Pak ’n dropje, zei ze altijd als ik opstond om te vertrekken. Ik pak er twee, zei ik dan lachend en greep dan zeker vijf dropjes uit het bakje. En zij lachte terug, hardop. Ze maakte dan zo’n wegwerpgebaar, alsof ik net de leukste mop ooit had verteld.

Het verdriet kwam alsnog. In veelvoud. Over mijn ouders, mijn tante, mijn ziek-zijn, wat dat betekent voor mijn gezin en alles wat ik de laatste twee jaar heb gewonnen en kwijt ben geraakt. Ik staarde naar de kist, legde mijn hand er plichtmatig op, wreef even ter geruststelling en fluisterde ‘Ik pak er twee tante Lies’. Dankjewel. Voor de dropjes en de rest.

Advertenties

De dag voor de regen…

IMG_0104

Rouw kent geen regels of voorwaarden. Peter Zantingh schrijft in zijn boek Na Mattias het volgende: “Rouw is als een schaduw. Hij voegt zich naar de stand van de zon, staat ’s ochtends anders dan ’s avonds. Hij leunt donker en geduldig tegen de muur, strekt zich in volle lengte uit over asfalt of trekt achter je rug zijn reliëf over te lang niet gemaaid gras, sierlijk dreigend als een slang.”

Geen idee of Zantingh ook zo’n rake omschrijving over crematie-as heeft – ik heb het boek niet gelezen. Ik weet inmiddels wel dat je met crematie-as best veel mag. Je mag de hoeveelheid as bijvoorbeeld splitsen. En uitstrooien mag overal, al geldt wel het advies om eerst toestemming te vragen. Let wel: Een advies dus, geen regel.

Over as doe ik een beetje lacherig. Het is grijs, ruikt een beetje raar en er is altijd meer dan je in eerste instantie denkt. Maar het is niets. Het is geen lichaam, het is geen geest. Het is een soort afval. Een achterblijfsel. Je kunt van dat strooien iets gigantisch maken, iets ceremonieels, maar het is uiteindelijk niets. En het zal ook niets meer worden.

Rol mij maar een berm in zei hij wel eens. Of in een heg. Dan lachte ik. Ongemakkelijk, want hij keek er altijd zo serieus bij. Er was geen balans tussen de ernst van zijn blik en de humor van zijn boodschap. Duidelijk was wel dat mijn vader zich zeer wel bewust was dat na de dood, mits eenmaal voltrokken, het lichaam er niet meer toe deed.

Nu is hij zelf aan de beurt. Mijn vaders’ as zit in een pot. Hoe vreemd het misschien ook klinkt, dat raakt mij niet. Het strooien van de as is niets meer dan een stap in het rouwproces. De pijn van het verlies van mijn ouders staat mijlenver van wat ik voel voor de as in de pot. Zo zie ik het. We wilden er vooral geen toestand van maken. Zou pap ook niet doen, dat weten we. Maar vooral, de laatste vijf maanden zijn verdrietig genoeg geweest. We snakken naar afronding. Naar rust.

Kijk, zegt mijn zus lacherig.
Ze zet een paars doosje met zo’n handig handvat neer.
Het lijkt op zo’n Greetz-verrassingsdoosje, lacht ze.
We zijn op onze geheime plek.
In de doos zit een kunststoffen urn die afgesloten is met een zilverkleurige deksel. Een neutraal antracietkleurig lintje hangt eruit om de deksel mee te openen. Wij turen onbeholpen naar de pot. In onze hoofden klinkt dezelfde vraag.

Hoe doe je dat in godsnaam, de as van je vader uitstrooien?

Dit lijkt wel een scene uit Seinfeld, glimlacht mijn zwager. We staan rond de pot. Wat zou George nu doen? Of Kramer? George zou stiekem weglopen en de pot ergens op de stoep laten staan. Of bij iemand voor de deur. Weglopen van je verantwoordelijkheid. Typisch George Costanza.

De as ergens in de VS – zijn favoriete vakantieland – strooien was ook een optie, maar dan wordt het zo beladen. Bovendien, aan het internationaal vervoeren van een zak as kleven vast een hoop regels en moetjes. Dan liever wat dichter bij huis. Bovendien, het zou de volgende dag gaan regenen dus what the hell.

De zak wil niet uit de pot. Voorzichtig trekken we eraan, bang als we zijn dat hij scheurt en de inhoud ons omwolkt.
Misschien moeten we eerst wat as eruit lepelen, stelt mijn zwager voor. Dan wordt de zak dunner.
Hij graait rond in zijn tas.
Kijk, z’n favoriete soeplepel, lacht hij na het Douwe Dabbert-achtige momentje.
We lachen allemaal.

Daar komt dus de uitdrukking ‘in zak en as zitten’ vandaan, van het niet weten hoe je de zak met as uit de pot krijgt en er dan hulpeloos bij gaan staan kijken.

Ik check de wind. Uit het noorden. Aha. Met kleine schepjes scheppen we as uit de zak en laten het op het gras vallen. De lichte deeltjes dwarrelen weg in de wind, de rest eindigt in het gras. Vijftien minuten later klop ik het laatste restje eruit.

In de pot zit behalve de plastic zak met as, ook een ronde vuurvaste steen met daarop een nummer dat correspondeert met de crematie van mijn vader. Om ongelukkige verwisselingen te voorkomen. Het blijft natuurlijk wel mensenwerk.

Wil jij die steen hebben, vraagt mijn zus.
Ik lees het nummer.
Dela noemt mijn vader #521344.
Nee, zeg ik. Gooi hem maar in een berm.
Laten we er maar om lachen, wat moeten we anders?
We hebben genoeg gehuild.

%d bloggers liken dit: