Heb Het Er Maar Over

Vertelt doorgaans de waarheid

Close Friends In Far Places

25 jaar geleden stond het dorp waar ik woonde onder water. Destijds zat ik als dienstplichtig soldaat in het leger en kreeg verlof. Ga jij maar naar huis werd mij verteld. Om te helpen, denk ik. Al viel er niet veel te helpen. Het was koud in huis, de stemming gespannen. Meer dan afwachten konden we niet. Het water drong zich van twee kanten op. De dijk langs de Maas die zich langzaam volzoog en het grondwater dat door de grindgroeves aan de westkant van het dorp werd opgestuwd. Wij woonden ertussenin.

Er waren tv-ploegen en ramptoeristen.

Op een gegeven moment spoelde de wc niet meer door. Dat was de spreekwoordelijke druppel. Weg hier, dacht ik. Overigens hadden wij ‘het geluk’ naast de kerk te wonen. Katholieken leggen dat soort gebouwen altijd een metertje hoger dan de rest. De Friezen hebben terpen, in het zuiden hebben we kerkheuveltjes.

Het water dat al dagenlang meedogenloos aan de deur klopte, hield halt in onze tuin. Dorpsgenoten waren minder gelukkig. In het huis van mijn oma stond het water bijna een meter hoog. Onderschat niet de tragedie die een overstroming is. De stank. De schade. Bij velen hakte het er flink in. De vele aanpassingen langs de Maas hebben het gevaar op toekomstige overstromingen inmiddels geminimaliseerd, al zijn de zorgen onder druk van alle klimaatveranderingen nog lang niet passé. De haat/liefdeverhouding met de rivier is voor altijd.

Het ‘op de vlucht slaan’ pakte in mijn geval ironisch uit. We werden namelijk opgepikt door legertrucks. Precies dezelfde trucks die ik als soldaat eerste klas in Stroe – dat ligt overigens op de Veluwe – bestuurde. Scene uit een film. We werden een dorp verderop afgezet bij het gemeenschapshuis. Dorpelingen met handbagage en een tandenborstel. Van daaruit spreidden we uit. De gemeenschapszin is er groot en families wonen doorgaans niet ver bij elkaar uit de buurt.

Wij logeerden één nacht bij de ouders van mijn zwager. Mijn vader niet, die bleef. Hij had iets opgevangen over mogelijke plunderingen. Geruchten waren het dorp niet vreemd, al gingen die zelden over plunderingen. Hij plantte een keukenstoel in de slaapkamer en parkeerde zich naast het bed.

Een tasje met wat onderbroeken, veel meer had ik niet bij me. En onder mijn arm geklemd een map met teksten. Erin zaten gedichten die ik songteksten noemde omdat ik ‘poëzie’ een veel te ambitieuze duiding vond. En nog steeds. Ik zat nog in mijn aftastfase, al schrijvende zoeken hoever ik mijn comfort zone kon oprekken. De inhoud van de map was toen heel erg belangrijk voor me, nu ligt hij in een doos op zolder. De vraag is of er na al die jaren überhaupt nog iets op de matrixprintjes staat.

Maar goed, het waren wel de bouwsteentjes in het huis dat ik nu al decennia aan het bouwen ben. Mager qua inhoud, desondanks belangrijk in hoe ik me gaandeweg met taal leerde uitdrukken.

Mijn coming-out als ‘schrijver’ maakte mijn vader trots. Hij heeft het nooit zo gezegd, maar in zijn ogen zag ik zijn jongensdroom. Een beetje dan toch. Meteen had hij ook favorieten. Bovendien dacht hij graag met me mee. En in elk voorstel hoorde ik zijn voorliefde voor Amerikaanse tekstdichters. Verhalend moest het zijn. Doorgaans was hij enthousiaster over mijn geschrijf dan ik. De gêne om mijn werk te delen was nog te groot, mijn tevredenheid zelden aanwezig. De blik in mijn ziel maakte mij zeldzaam kwetsbaar. Ik wimpelde liever af.

Zijn enthousiasme was geregeld licht dwingend. En soms – om van het gepush af te zijn – gaf ik toe. Zo belandde een van mijn teksten – Close Friends In Far Places – in de Verenigde Staten bij een componist die voor 125 dollar wel muziek en een zanglijn voor de tekst wilde componeren. Mijn vader droomde van een hit. Het zou dan ook een beetje zijn hit zijn, want ik had de tekst geschreven op basis van een titel waarmee hij mij had uitgedaagd.

Hij stelde sowieso de gekste ideeën voor. De broer van een van zijn collega’s was toetsenist in de Frank Boeijen Groep. Stel je dat voor! De beste man werd gevraagd om mijn teksten te lezen. Ik was jong, je snapt de gêne. Bovendien, kritiek. Ik vreesde het.

Hij spoorde mij aan en ik hield mijn kaarten dicht bij de borst. Ik schreef niet om bekend te worden, sowieso was ik veel te verlegen en onzeker voor aandacht. Ik heb altijd geschreven omdat het voor mij de enige comfortabele manier is om over mezelf en alles na te denken en daarover te communiceren met de wereld.

Close Friends In Far Places werd geen hit maar een herinnering. Ik trof de gebrande cd in de kast die ik laatst opruimde. Terugblikkend is het licht altijd lichter. Natuurlijk had ik veel meer moeten plooien en mijn vader veel meer tegemoet moeten komen. Wellicht was het voor mij ook beter geweest. Aan de andere kant, mijn vader was ervan overtuigd dat alles goed zou komen. Ik geef hem elke dag gelijk. Alleen doet het eeuwig veel pijn dat hij er niet meer bij is.

De mok en ik runnen de show

 

Vorig jaar ben ik 12 keer medewerker van de maand geweest én medewerker van het jaar. Logisch. Mijn nieuwjaarsbedankspeech werd verrassend goed ontvangen.

In een column van Peter Middendorp (die van de Volkskrant) las ik dat hij van thuiswerken langzaamaan gek wordt. Of dat denkt te worden. Je hebt anderen nodig om jezelf te vergeten schrijft hij.

Hij heeft een punt. Al denk ik dat hij wat meer met zichzelf in de weg zit dan ik. Detail.

Het gekke van gekte is dat je het zelf nooit echt merkt. (Daarom is iemand die zichzelf ‘een beetje gek’ noemt helemaal niet gek, die wil gewoon bijzonder worden gevonden door anderen.)

Als thuiswerkende freelancer word ik voortdurend met mezelf geconfronteerd. Pratend en mompelend los ik langzaam maar zeker een beetje op. De tussenlagen – lees de stootkussens – waar ik als werknemer op terug kon vallen zijn er niet meer.

Dat alleen is natuurlijk niet gekmakend. Hooguit is hier sprake van bijvangst. Alleen verantwoordelijk zijn betekent dat ik nu met de grote mensen mee mag spelen. Volgens de overheid ben ik immers een ondernemer, al kleeft aan die titel een grote diversiteit aan smaken.

Maar nee, als ik gekte al zoek vind ik die in de muren. Die willen namelijk wel eens op mij afkomen als ik teveel te vaak in mijn eentje werkt, ook al vind ik mezelf geregeld terug bij opdrachtgevers voor briefings of merkverhaalsessies. Het echte denk- en schrijfwerk vindt gewoon plaats in mijn kop, in mijn eentje ergens in een kamer.

Dat gezegd hebbende, gekte verklaart wel waarom Tom Hanks in Cast Away bevriend raakt met een volleybal. Een volleybal! In de context van ‘in je eentje op een onbewoond eiland leven’ is de vriendschap met een volleybal natuurlijk volkomen logisch. Aanspraak hebben kun je er makkelijk bij verzinnen en er vervolgens nog in geloven ook. Zo ben ik bijvoorbeeld supergoed bevriend met mijn koffiemok. Zijn naam staat er zelfs op.

Denny’s en ik runnen deze puike show. Wij twee staan aan het roer, trappen op de pedalen, remmen af voor bochten en navigeren dit vehikel naar een horizon die we zelf uitrollen. Diezelfde ik zorgt bovendien dat de rest van mij ondertussen gewoon kan ademen. Niemand anders doet dat voor me. Feitelijk doen we alles alleen. Vallen. Opstaan. Winnen. Verliezen. Rondje wandelen, denken, schrijven. Denny’s en ik.

Soms knaagt dat wel. Niet dat ik het gerep en geroer van het bureauleven mis. Hooguit mijn oud-collega’s. Of eigenlijk de mensen die ze toen waren en nu – hoop ik – nog steeds zijn. Want helemaal mezelf zijn op een werkplek is me nooit gelukt, ondanks alle glanzende pogingen en initiatieven van menigeen werkgever om zijn personeel juist wél zichzelf te laten zijn.

Dat werkt niet, althans niet voor mij. Iedereen schikt in en past zich aan en simsalabim: bedrijfscultuur. De chorus line van de rollen die we op de werkvloer spelen, ook wel bekend als groepsdruk. Met een beetje pech moet je ook nog verplicht leuk doen met de geluksmanager. Of wacht, een Chief Happiness.

Oei.

Het volgende klinkt misschien raar, maar er bestaan dus echt mensen die dolgelukkig worden van de vrijheid die solo-verantwoordelijkheid hen geeft. En doodongelukkig worden van de de tafelvoetbalpauze, borrels, deep dive sessies en scrummen. Ik spreek voor mezelf. Inschikken is niet mijn kernkwaliteit, bovendien kijk ik als buitenbeentje liever naar binnen. Kortom, dat alleen werken geeft mij de ruimte. Die gekte nemen Denny’s en ik voor lief.

Zou wat zijn zeg.

Afijn. Inmiddels heeft brein vaak genoeg gemeld dat het te gek genoeg is. Mijn vriendschap met Denny’s de mok onderstreept dat. Trouwens, een beetje gekte is nodig. Al weet ik niet zo goed óf en welke woorden ik moet geloven die uit mijn hoofd komen. En of ik gek genoeg ben om dit vol te houden. Dat komt nauw weet ik uit ervaring. Mijn brein heeft mij namelijk al eerder van alles wijsgemaakt.

Of niet soms Denny’s?

%d bloggers liken dit: