Heb Het Er Maar Over

Vertelt doorgaans de waarheid

De jaarlijks terugkerende scheisse


Lopen door de gangen van een doodstil ziekenhuis is een adembenemende ervaring. De stilte, de leegte, het klopt niet. Een ziekenhuis zonder zichtbaar aanwezige mensen schept verwarring. Het is alsof er iets verschrikkelijks is misgegaan. Elke stap die ik zet hoor ik twee keer terug in de leegte. In mijn gedachten wandel ik zielsalleen naar mijn eindoordeel, aan het einde van de gang. Mijn gang. In werkelijkheid volg ik route 72 en ben ik op weg naar de afdeling Radiologie waar ik om 09.25 uur verwacht wordt voor mijn jaarlijkse MRI-controlescan.

Laat ik het maar niet een jaarlijks terugkerend hoogtepunt noemen. De controle is iets waar ik 363 dagen per jaar niet mee bezig ben. En vervolgens twee dagen heel erg. An sich zijn die twee dagen geen verkeerde dagen, hun intentie is goed. Wat mijn kop er vervolgens mee doet en van denkt is een ander verhaal.

Misschien komt het omdat mijn brein er jaarlijks een beetje van in de war raakt. Het ritueel van mijn brein. Het ene moment gaat het fluitend door het leven, zichzelf opbeurend met de zelfverzonnen – overigens uiterst naïeve – theorie dat de 1,5 jaar culminatie van de shit die achter de rug ligt, het een vrijkaartje voor de rest van het leven heeft gegeven. Het ‘ga direct door naar start’-kaartje. Plus, en dat weegt waarschijnlijk zwaarder, mijn brein doet een weergaloze struisvogelimpressie.

Logisch, want in mijn hoofd krioelt letterlijk een wereld waar ik nauwelijks iets van begrijp. Er worden op nanoniveau besluiten genomen waar ik niet bij betrokken ben. Daarmee ligt het lot van mijn hoofd in de handen van het geluk, pech en de beslissingen die medisch specialisten nemen. Dat plus de consequenties. Je zou van minder in de war raken.

Dit jaar heeft corona mijn jaarlijkse controle een maand of twee vooruitgeschoven. De scan zelf stelt trouwens niks voor. Ik bedoel, ik lig een minuut of 20 minuten in een ontzettend prijzige buis. Een prikje voor de contrastvloeistof. Beetje magnetische resonantie-herrie. (Ik zweer het, er zit een scan-serie in die klinkt als een Nine Inch Nails sample.) Big deal.

De scan is deel 1. Deel 2 is de uitslag en dat is mentaal totaal andere koek. Zoals ik al zei, de kop denkt wat hij wil. En langs de vele alledaagse gedachten die erin huizen, kluwen zich ook doembeelden naar de voorgrond. Dan word ik stikchagrijnig. Onvriendelijk. Dwars. Want, wat als? Zodra dat gebeurt zoek ik afleiding die ik nooit vind, niet in mijn werk, niet bij mijn kinderen. Wat rest is gaar koken in mijn eigen sop.

De maandag na de zaterdag is het wachten op het telefoontje van de behandelend arts.
‘Anoniem’, lees ik op het scherm. In mijn hoofd zie ik de nachtmerrie van een nieuwe ziekenhuisopname. De schedelplaat die er weer uit moet. Het herstellen. De kans op infecties. Die godsgruwelijke allesverzengende ellende.

Hoe gaat het met u. (Mijn arts noemt me weer u, nadat hij heel lang jij zei. Zou dat trouwens iets betekenen?)
Goed, zeg ik.
De scan ziet er goed uit meneer Lochs. (We schelen hooguit een jaar schat ik.) Ik zie geen veranderingen vergeleken met vorig jaar, vervolgt hij.
Ik zucht diep uit en zeg; dat is fijn om te horen.

Hij zegt vervolgens iets over ‘een beetje vocht’ terwijl ik onhandig switch naar speaker, omdat R. ook meeluistert. Ik onthoud namelijk nauwelijks wat er gezegd wordt op zo’n moment. Mijn brein focust tijdens artsgesprekken louter op de conclusie. Na ‘goed’ schakel ik af.

Feit is dat er nog twee piepkleine tumorrestjes in mijn hoofd zitten. Dat is geen nieuws, dat weten we. En die doen geen vlieg kwaad in hun huidige toestand. De spanning die mij plaagt komt uit de wat als ze wel van toestand veranderen. Maar dan nog, een meningeoom groeit doorgaans tergend langzaam (het is de luiaard van de tumorenwereld) en is bijna altijd goedaardig.

En toch, de consequenties zijn – althans in mijn geval – beide keren behoorlijk impactvol geweest. To say the least. We hebben deze scheisse in al zijn glorie meegemaakt. In 2000 en opnieuw in 2016, plus nog een voorhoofdverwijderend kersje op de schedeldaktaart.

Dat vergeet je niet. En ja de jaarlijkse controle is er vooral om deze scheisse te voorkomen, daar houd ik me aan vast. Nu alleen nog iets verzinnen om die verdomde spanning elk jaar een beetje te temmen.

Wat het niet is en nooit wordt

In mijn oertijd zong Bryan Adams over zijn Summer of ’69. Waarschijnlijk lieten de herinneringen aan die zomer zich beter in een tekst gieten dan de herinneringen aan zijn andere jeugdzomers. Of ‘sixty nine’ bekte gewoon beter. Maar goed, dat nummer galmde dus in mijn hoofd toen R. met de reisverzekeringmensen belde over de annulering van onze zomervakantie.

We gaan naar de Summer van ‘20 terugkijken als de vakantie van elke kans pakken die je maar kon krijgen. Zo pakten wij op het nippertje nog een weekje Zeeland en een weekje Eindhoven.

De zomer van 2020 begon op de eerste dag van de laatste schoolweek. Het afscheid was ‘n ding dit jaar zeg maar. Op de eerste plaats het afscheid van groep 8, ook wel bekend als het Gigantisch Grote Afscheid(nemen). Zeker voor de oudste. Doei zeggen tegen klasgenootjes die uitzwermen over andere middelbare scholen in de stad, de knuffel van zijn leerkracht die overstapt naar een andere baan, het afscheid van de school zelf en van de fijne begeleiding die hij er gedurende de jaren heeft gehad. Geen wonder dat hij zo kribbig werd.

Op de oudste wacht iets waarvan ik – toen ik 11 was – in volledige paniek had kunnen raken. Ware het niet dat aan de rand van het diepe mijn vrienden ook over de rand stonden te gapen. Om de spanning te verlichten, spraken we elke schoolochtend af bij de kerk in het dorp en fietsten we samen het diepe in. Een paar weken later zag alles er weer heel anders uit. Zonniger vooral, weet ik me nog te herinneren. Vooral dat laatste druk ik de oudste graag op het hart.

Voor de oudste bestond de laatste schoolweek uit vier keer de musical opvoeren voor een kwart gevulde aula, want corona. Verder was er een coronaveilig schoolpleinafscheid van zijn leerkracht die in de bakkerij van zijn vader gaat werken. By the way, leest u even mee geachte overheid. Leerkracht S. is het beste dat onze zoon in groep 8 kon overkomen. Deze nog jonge man verlaat het basisonderwijs. Ik zeg niet dat een hoger loon hem had kunnen overtuigen, maar een beetje meer waardering had hem ongetwijfeld op z’n minst aan het twijfelen gebracht.

Afijn.

De musical was trouwens prachtig. De oudste had een bescheiden rol die hij met verve speelde. Er werd gezongen en gedanst. We lachten om grappen die wél werkten en er waren ijzige stiltes waar de schrijver van de musical ongetwijfeld een lachgolf had verwacht. Stilletjes werden ouderlijke traantjes gehuild. Bijna geluidloos, al maak je mij niet wijs dat iedereen in de aula opeens toevallig hooikoorts of corona had. En ik snap het, ik zat zelf ook te snikken. Ik bedoel, daar staat toch wel maar even gewoon je kind op dat podium. Te zijn. In al zijn of haar kracht, na al die jaren basisonderwijs en met de nodige hindernissen en successen onderweg.

Is hij of zij er klaar voor? Ik heb werkelijk geen flauw benul. De ouderlijke tranen ontstaan uit de schroeiende vraag of je kind er klaar voor is. Het antwoord niet weten, maar wel het ergste vrezen. Wij weten hoe bruut en oneerlijk het leven kan zijn, zeker voor de kwetsbaren. Je weigert je eigen kind bij die groep te scharen, maar een 11-jarige is per definitie kwetsbaar.

Het Gigantisch Grote Afscheid(nemen) legt heel veel bloot. Het plezier, de onderlinge conflictjes en de dramaatjes van de voorgaande jaren, maar vooral de onzekerheid over wat er komen gaat. Op dat podium in de spotlight wordt alles alleen maar groter en duidelijker. Dan daalt het besef in, voelt het of je opeens spreekwoordelijk met je broek op je enkels staat. In het hoekje, in de achtergrond stond een groep 8-leerling verschrikkelijk eenzaam te zijn. Want als ze sprak, dan fluisterde ze. En als ze danste, dan schuifelde ze. Ze kwijnde weg onder het oog van velen. Dát moment op deze plek, wat een marteling moet dat voor haar zijn geweest.

Na afloop werd er door de kinderen geknuffeld en gedold. De opgebouwde spanning kwam eruit. Dat gevoel kan ik me nog heel goed herinneren. Het voelde als de ultieme beloning. Het voelde als de schoolbel op vrijdagmiddag, de deur naar de rest van je leven die openzwaait. De gedachte dat het erop zat, zonder concrete plannen voor de rest van je leven.

Raar hoe opgelucht je bent als jouw kind aan de dolheid meedoet. Als jouw kind aandacht krijgt van de rest, betrokken wordt in de vreugde. En hoe tragisch het voelt dat er naast ons een hart breekt en een vader er alleen voor staat. Terwijl wij opgelucht zien hoe ons kind blij aan de schouders van een ander kind hangt, wordt deze vader bijgepraat door de juf. Geen idee waar het over gaat, maar als de juf je na de musical terzijde neemt, kan de boodschap onmogelijk fijn zijn. Voor deze vader en zijn dochter die net nog op het podium stond te snakken naar het einde, zal de zomer van 2020 een eenzame herinnering zijn. En ja dan ben je blij en wens je tegelijkertijd dat het leven verdomme eindelijk eens eerlijk zou zijn, wat het niet is en nooit wordt.

%d bloggers liken dit: