Heb Het Er Maar Over

doorgaans de waarheid

Gevels

5F58D9E8-EAF8-4BDF-A868-3EFB7B59DAE1.jpeg

In de krant pronkt R.B. Hij heeft een hele pagina gekregen. Plus foto. Niet mis dus. Op de betreffende pagina legt hij uit waarom hij van een bepaald standpunt veranderd is en waarom. Verandering van mening is het thema van de betreffende rubriek.

Volgens R. kan onze aardbol makkelijk 2,5 miljard extra bewoners aan. Overbevolking, daar maakte hij zich vroeger zorgen over. Nu niet meer. We zijn als mensheid flexibel genoeg, aldus R’s nieuwe standpunt.

Wat ik van hem weet geloof ik dat. R. woont namelijk schuin tegenover ons. Hij is een filosoof. En een journalist. Ik dacht altijd dat hij alleen journalist was. Maar bovenal is hij een ongeneeslijke optimist. Die zijn nodig, juist nu.

Ik las de pagina met de grootst mogelijke aandacht. Zo vaak staan mensen die ik ken niet in een nationaal dagblad. Blijkbaar heeft de beste man in bepaalde kringen een zeker aanzien.

Ik zie hem op de begeleidende foto, zijn glimlach en – ping! – opeens weet ik waarom ik niet in een Vinex wil wonen.

In tegenstelling tot R’s standpunt betreffende overbevolking, vrees ik dat mijn standpunt betreffende de Vinex in beton gegoten is. Ik zou de chaos van de stad missen, want waar vind je chaos in de Vinex? Waar is daar de drukte? De hectiek, maar vooral: waar is de diversiteit?

Op zich is dat een vreemd standpunt voor een introvert. Verwarrend ook, wellicht wentel ik me geheel tegen mijn natuur graag in dat waar ik doorgaans als een berg tegenop zie. En trouwens, rust is niet hetzelfde als saai.

Mijn ‘Vinex! Dat nooit!’-standpunt is geworteld in een persoonlijke ervaring. Lang geleden ben ik namelijk verdwaald in een Vinex. Ik was er voor het eerst, GPS bestond nog niet en het was al donker. Maar vooral: ik was niet bekend met het concept Vinex. In de straten was het stil. De gordijnen waren dicht. Wanhopig stopte ik bij een nieuwbouwcafé in het geografische (nauwelijks kloppende) hart van de Vinex. Daar zat logischerwijs niemand aan de bar, alleen erachter. Op de rotonde naar rechts en dan altijd links aanhouden, kom je vanzelf weer in de stad, werd mij verteld.

Dat moment van die lege kroeg in die muisstille woonwijk, heeft mijn vooroordeel dubbel onderstreept.

Als elk huis op elk ander huis in de straat lijkt, kiezen de bewoners door te kiezen voor dat huis dus voor smaakgenoten. Daar is niets mis mee, het gevolg is wel dat je het al snel over soortgenoten hebt. Een letterlijke filterbubbel. Psychologie van de koude grond natuurlijk, maar als je het mij vraagt begint diversiteit aan de gevel van het huis. En geveltechnisch gezien is de straat waar R.B. en wij wonen een charmant rommeltje.

Achter de gevels is het namelijk net zo divers als aan de gevels. Een beknopte opsomming.

R.B. woont er. Zijn vrouw is journalist. Er woont een militair. Een balletdocente. Een semiprofessioneel ijshockeyer. Een buurteventmedewerker. Zorgmedewerkers. Wat Polen. Een Brit. Iemand van BrabantWater. Een interieurverzorgster. Iemand die wekelijks twee lege kratten bier wegbrengt. Een koffieproductengroothandelaar. Een tandartsassistent. Iemand uit de asbestverwijderingsindustrie. Een shoarmatenthouder. Een vrouw die geen idee wat doet. Studenten. Een gedragswetenschapper. En een tekstschrijver.

Dan de Vinex. Daar wonen volgens mij alleen accountmanagers, IT-managers en HR-managers. En andere mensen die een beroep hebben waar een leaseauto bij nodig is. Het maakt van de Vinex een soort van managementemmer, tot de rand gevuld met leidinggevenden van het tweede echelon.

Vooroordeel! Aanname! Ik hoor het je denken.
Alternative fact! roep ik dan keihard terug en sla met mijn vuist op tafel.
De gevel van een huis zegt veel over je. Net als de gordijnen voor je raam. Of zo’n plakstrip op ooghoogte. De rolluiken ervoor. Kun je naar binnenkijken of liever niet? Hoe fel zijn je lampen? Genoeg om het vooroordeel in zoverre te bagatelliseren dat zelf in de Vinex wonen geen optie is.

Maar goed. Zeg nooit nooit. Wie weet denk ik er over tien jaar anders over. Dan denk ik lacherig terug aan de tijd dat ik niks om de Vinex gaf.
Jeej. Wat was ik naïef toen, zeg ik dan tegen de krant die mij interviewt. Ik slaak dan een gespeeld diepe zucht en kijk bedremmeld. De Vinex heeft onze samenleving gered, fluister ik. De diversiteit van de binnenstad is veranderd in een Escape From New York-achtig getto. Hier achter de muur van de Vinex zijn we veilig en gelukkig.

Of – en dat kan ook – de stad waarin ik woon verandert in een grote hipsterachtige flexwerkplek waar nul geld verdiend wordt met niet-bestaande beroepen die wel geld krijgen van olijke Kickstarteracties en waar je alleen welkom bent als je ontzettend ongeïnteresseerd kijkt door een Ace&Tate-brilletje.

Of – en dat kan ook – al die hipsterige types wonen over tien jaar zelf in de Vinex. En ik ben weer terug in de stad, waar we veilig en dolgelukkig zijn. Wel ontiegelijk druk, maar daar hoeven we ons volgens R. B. dus helemaal niet druk over te maken.

Advertenties

Manger mon ami, manger!

file-8.jpeg

Fransozen eten graag. Lang ook. Als je ze iets anders ziet doen dan eten, dan nemen ze een pauze van het eten. Geloof me maar, ik heb ze twee weken intensief geobserveerd. Lang stonden de Fransozen erom bekend dat ze – gemiddeld genomen – niet dik werden en ondanks het veelvuldig nuttigen van kaas en alcohol, niet of nauwelijks overleden aan hartfalen. De Franse paradox.

Overigens, sinds de introductie van fastfood en fabrieksvoedsel wordt de Fransoos wel degelijk dik. Dat laatste is een feit, de relatie met fastfood en fabrieksvoedsel is een aanname. Al is de wereldwijde dikmaakontwikkeling sinds de VOC-achtige suprematie van fastfoodketens volgens mij wel een feit. Zodra minder vers wordt gegeten en meer fabriekvoedsel stijgt de BMI met rasse schreden. Daar zal best onderzoek naar gedaan zijn. Maar ik ben geen journalist en momenteel is het veel te warm om journalist te spelen.

De kamperende Fransoos heeft net als wij een vast dagritme. Ik vermoed dat hij hetzelfde ritme aanhoudt als thuis. Doen wij ook. Dat is ingebakken. De Fransoos staat op en heeft binnen een oogwenk het ontbijt op tafel staan. Daarna wordt pas gedoucht. Wij staan op dat moment nog halfwakker te dubben over wat we uberhaubt willen eten, waarna ik morrend naar de campingwinkel tjok voor weer een stokbrood plus alles wat we de dag ervoor bij de hypermarché vergeten zijn te kopen. De Fransoos vergeet nooit iets.

Enfin, voordat wij goed en wel aan het ontbijt zitten is de Fransoos al bezig met de lunchvoorbereidingen.

Terwijl hij dit uitermate bekwaam doet wordt de krijsende peuter luidruchtig tot stilte gemaand; arrêté! (inclusief uitroepteken) is een Frans stopwoord. Letterlijk. En terwijl ik stuntelend en vloekend de auto uit het duinzand probeer te janken, zit de Fransoos alweer op zijn gemak te eten. En breeduit naar me te glimlachen.

Hij roept mij iets toe in het Frans. Een goedbedoelde tip vermoed ik. Mon voiture is stuck in het zand, mompel ik nog en bedenk me dat een oplossing communiceren met een Fransoos langer gaat duren dan het wegscheppen van het zand voor mijn voorwielaangedreven voiture. Dat denkt de Fransoos vast ook, heft z’n glas en eet verder aan z’n cold cuts.
En zit.
En eet.
En zit.
En drinkt.
En zit.
En eet.
En drinkt.
En dommelt weg.
Schrikt wakker.
En drinkt.
En eet. En eet. En eet.
En – wat is het al vier uur? – eet.
En zit. En drinkt.
En lacht.
En dommel weg.
Schrikt wakker.
En – is het al elf uur? – drinkt.
Vooruit, nog eentje dan.
Plop.
Proost!
Slaap lekker.
Morgen weer?
Morgen weer.

PS
Op de foto zie je twee Nederlanders. De op-drie-na-oudste en de alleroudste. Omdat ze niet van slakken, coquilles en obscure legumes houden, eten ze pizza. Met zwarte olijven, dat wel. Dan doen ze in 23 minuten. De Fransoos doet daar gemiddeld 79 minuten over. 

%d bloggers liken dit: