Heb Het Er Maar Over

Vertelt doorgaans de waarheid

Tag: schrijven

Razendvaag dit

Meestal wacht ik heel lang voordat ik start met schrijven. Dat wachten heeft een functie, kom ik zo op terug. Denk nu niet dat ik niet werk omdat en terwijl ik het schrijven uitstel. Wachten is hangend op de bank door de voorruit naar buiten staren, af en toe wat prullige ideetjes in mijn mobiel tikken, een kop koffie drinken, door het huis struinen.

Dat is gewoon een onderdeel van mijn werk. Fysiek stelt dat natuurlijk geen ruk voor. Ik krijg er geen spierpijn van, om maar wat te noemen. Mijn brein daarentegen werkt zich een slag in de rondte. De aanstaande opdracht zit namelijk al pre-frontaal in mijn kop.

‘Verzin iets leuks met pre-frontaal erin!?’, tik ik in mijn mobiel.

Uitstellen kan alleen als er een deadline is. Een opleverdatum. Een afspraak. En die nadert altijd sneller dan het verstrijken van de tijd doet vermoeden. Hoe langer ik wacht, hoe nijpender het wordt. Tegelijkertijd probeer ik een soort van planning bij te houden, maar zoals iedereen die professioneel creatief is weet, dat laat zich niet zomaar plannen. Je kunt je creativiteit hooguit met wat fratsen aanzwengelen. In mijn geval zwengel ik aan met uitstel en koffie drinken.

Die tijdsdruk zoek ik bewust op. Eigenlijk kwel ik mezelf. En die kwelling creëert een spanningsveld waarin mijn brein klaarblijkelijk meer zijn best doet dan als ik het in de watten leg. Is het brein klaar met voorwerken, dan krijg ik een signaal en ga ik schrijven. Dat is natuurlijk allemaal razendvaag en onfactureerbaar.

‘Breintje loopt als een treintje’, tik ik in mijn mobiel.

Immers, leg dit proces maar eens uit aan iemand die elke minuut van zijn werkdag moet kunnen verantwoorden. Op feestjes en partijtjes rep ik liever niet dat 60% van mijn werk bestaat uit rust, wandelen, afstand nemen, niks doen. Omdat het wonderen doet voor mijn creativiteit. Logischer kan ik het niet maken. Je creëert er hyperfocus mee, waardoor je brein alle ruimte heeft om te doen waar het voor gemaakt is. Problemen oplossen! Mijn probleem is de tekst voorhanden en als ik té lang wacht is de deadline mijn probleem. Wacht ik nog langer dan is een teleurgestelde en hoogstwaarschijnlijk geïrriteerde opdrachtgever mijn probleem.

Terwijl dit stukje in mijn brein broeit, tuur ik naar buiten waar een team mannen een sleuf in de stoep graaft. Ze leggen een glasvezelnet aan in de wijk. Kloppen deze mannen één klinker verkeerd terug in de stoep dan krijgen ze Nettie van de overkant op hun dak. Ze worden voortdurend op de vingers gekeken. Fysiek en mentaal is dat best uitputtend, vul ik even in. Nog los van die fikkende zon in je nek, voor een mager uurloon. Dat dus, plus Nettie.

‘Op de vingers kijken’, tik ik in mijn mobiel.

Ik staar naar de zwoegende arbeiders en krijg daarvoor betaald. Daar komt het – ultrakort door de bocht – op neer. Over een dergelijke oneerlijkheid is het vervelend nadenken. Goeie kans dat zij helemaal niks snappen van mijn staren en ogenschijnlijke niks doen. Snap ik want het is netjes afgebakend. Je stapt niet over naar het andere kamp, niet zomaar. De evolutie heeft dat namelijk prima voor mekaar.

Het zou leuk zijn als opleidingen ook daarop filteren. Dát is een aanpakker en dát is een denker. De aanpakker zet je aan het werk, de denker zet je in een muisstille ruimte en geeft hem/haar een probleem. En go! Jammer is wel dat sleuven graven en stoeptegels leggen nooit stil gebeurt en dat aanpakkers niet met elkaar fluisteren. Maar verder doen zij en ik waar we goed in zijn.

‘DEZE KEER GEEN CORONA’, tik ik in mijn mobiel, sluit af en rammel dit stukje tekst er in 15 minuten uit.

Close Friends In Far Places

25 jaar geleden stond het dorp waar ik woonde onder water. Destijds zat ik als dienstplichtig soldaat in het leger en kreeg verlof. Ga jij maar naar huis werd mij verteld. Om te helpen, denk ik. Al viel er niet veel te helpen. Het was koud in huis, de stemming gespannen. Meer dan afwachten konden we niet. Het water drong zich van twee kanten op. De dijk langs de Maas die zich langzaam volzoog en het grondwater dat door de grindgroeves aan de westkant van het dorp werd opgestuwd. Wij woonden ertussenin.

Er waren tv-ploegen en ramptoeristen.

Op een gegeven moment spoelde de wc niet meer door. Dat was de spreekwoordelijke druppel. Weg hier, dacht ik. Overigens hadden wij ‘het geluk’ naast de kerk te wonen. Katholieken leggen dat soort gebouwen altijd een metertje hoger dan de rest. De Friezen hebben terpen, in het zuiden hebben we kerkheuveltjes.

Het water dat al dagenlang meedogenloos aan de deur klopte, hield halt in onze tuin. Dorpsgenoten waren minder gelukkig. In het huis van mijn oma stond het water bijna een meter hoog. Onderschat niet de tragedie die een overstroming is. De stank. De schade. Bij velen hakte het er flink in. De vele aanpassingen langs de Maas hebben het gevaar op toekomstige overstromingen inmiddels geminimaliseerd, al zijn de zorgen onder druk van alle klimaatveranderingen nog lang niet passé. De haat/liefdeverhouding met de rivier is voor altijd.

Het ‘op de vlucht slaan’ pakte in mijn geval ironisch uit. We werden namelijk opgepikt door legertrucks. Precies dezelfde trucks die ik als soldaat eerste klas in Stroe – dat ligt overigens op de Veluwe – bestuurde. Scene uit een film. We werden een dorp verderop afgezet bij het gemeenschapshuis. Dorpelingen met handbagage en een tandenborstel. Van daaruit spreidden we uit. De gemeenschapszin is er groot en families wonen doorgaans niet ver bij elkaar uit de buurt.

Wij logeerden één nacht bij de ouders van mijn zwager. Mijn vader niet, die bleef. Hij had iets opgevangen over mogelijke plunderingen. Geruchten waren het dorp niet vreemd, al gingen die zelden over plunderingen. Hij plantte een keukenstoel in de slaapkamer en parkeerde zich naast het bed.

Een tasje met wat onderbroeken, veel meer had ik niet bij me. En onder mijn arm geklemd een map met teksten. Erin zaten gedichten die ik songteksten noemde omdat ik ‘poëzie’ een veel te ambitieuze duiding vond. En nog steeds. Ik zat nog in mijn aftastfase, al schrijvende zoeken hoever ik mijn comfort zone kon oprekken. De inhoud van de map was toen heel erg belangrijk voor me, nu ligt hij in een doos op zolder. De vraag is of er na al die jaren überhaupt nog iets op de matrixprintjes staat.

Maar goed, het waren wel de bouwsteentjes in het huis dat ik nu al decennia aan het bouwen ben. Mager qua inhoud, desondanks belangrijk in hoe ik me gaandeweg met taal leerde uitdrukken.

Mijn coming-out als ‘schrijver’ maakte mijn vader trots. Hij heeft het nooit zo gezegd, maar in zijn ogen zag ik zijn jongensdroom. Een beetje dan toch. Meteen had hij ook favorieten. Bovendien dacht hij graag met me mee. En in elk voorstel hoorde ik zijn voorliefde voor Amerikaanse tekstdichters. Verhalend moest het zijn. Doorgaans was hij enthousiaster over mijn geschrijf dan ik. De gêne om mijn werk te delen was nog te groot, mijn tevredenheid zelden aanwezig. De blik in mijn ziel maakte mij zeldzaam kwetsbaar. Ik wimpelde liever af.

Zijn enthousiasme was geregeld licht dwingend. En soms – om van het gepush af te zijn – gaf ik toe. Zo belandde een van mijn teksten – Close Friends In Far Places – in de Verenigde Staten bij een componist die voor 125 dollar wel muziek en een zanglijn voor de tekst wilde componeren. Mijn vader droomde van een hit. Het zou dan ook een beetje zijn hit zijn, want ik had de tekst geschreven op basis van een titel waarmee hij mij had uitgedaagd.

Hij stelde sowieso de gekste ideeën voor. De broer van een van zijn collega’s was toetsenist in de Frank Boeijen Groep. Stel je dat voor! De beste man werd gevraagd om mijn teksten te lezen. Ik was jong, je snapt de gêne. Bovendien, kritiek. Ik vreesde het.

Hij spoorde mij aan en ik hield mijn kaarten dicht bij de borst. Ik schreef niet om bekend te worden, sowieso was ik veel te verlegen en onzeker voor aandacht. Ik heb altijd geschreven omdat het voor mij de enige comfortabele manier is om over mezelf en alles na te denken en daarover te communiceren met de wereld.

Close Friends In Far Places werd geen hit maar een herinnering. Ik trof de gebrande cd in de kast die ik laatst opruimde. Terugblikkend is het licht altijd lichter. Natuurlijk had ik veel meer moeten plooien en mijn vader veel meer tegemoet moeten komen. Wellicht was het voor mij ook beter geweest. Aan de andere kant, mijn vader was ervan overtuigd dat alles goed zou komen. Ik geef hem elke dag gelijk. Alleen doet het eeuwig veel pijn dat hij er niet meer bij is.

%d bloggers liken dit: