Heb Het Er Maar Over

Vertelt doorgaans de waarheid

Tag: mam

Het rubberen bandje

file-24.jpeg

Op de vensterbank van het kamertje waar kleding zich ophoopt, ligt sinds een paar weken ook een zwart loombandje. Vreselijk ding om te dragen. De haartjes op mijn arm wringen zich meer dan eens tussen de rekkende voegjes van het bandje en dat trekt dan geniepig aan de haren op mijn pols. Of het bandje rolt zich omhoog en gaat daar een beetje vervelend zitten doen.

Ik heb het bandje een paar weken geleden voor 1 euro gekocht van mijn kinderen. De opbrengst hebben ze zoals afgesproken aan Stichting Alzheimer gedoneerd. Over waarom ik uitgerekend het zwarte bandje koos, bestaat vast een psychologisch reden van de koude grond. Ik had namelijk ook de regenboogvariant kunnen kiezen. Die keuze was dan ongetwijfeld ook verklaarbaar geweest. Afijn.

Feit is wel dat ik makkelijk gehecht raak aan prulletjes. Of nee, ik raak makkelijk gehecht aan bepaalde voorwerpen die ik aan bepaalde gevoelens kan hangen. Dat gebeurt ook met het bandje. Het dragen ervan. Het goede doel waar het voor gemaakt is. Die zwalkende gevoelens die het oproept over zoveel dingen die nog lang niet over en voorbij zijn. Mijn rouwproces.

Zo werd het fluisterend een waar ding. Een tastbare band tussen mijn moeder die er niet meer is en ik, haar oudste kind. Misschien voel ik het nu sterker dan ooit, omdat ze morgen precies een jaar geleden overleden is. Dat zal het wel zijn, kan haast niet anders. Althans, dat is de invulling die ik eraan geef. En dus is het een feit, ook al is het bandje gemaakt pas maanden na mijn moeders overlijden.

Dat is goed nieuws voor het loombandje. Het ziet zich terloops verzekerd van een plekje bij de andere waardevolle herinneringen aan mijn ouders. En ooit – waarschijnlijk morgen al – pluk ik het bandje van de vensterbank om het te dragen. Om weer heel even bij haar te zijn.

Advertenties

Geen zorgen meer…

image

Toen mijn vader overleed was mijn moeder net dood.

Het had zomaar de openingszin van een roman kunnen zijn. De dood van mijn vader heeft een pikzwarte schaduw over het overlijden mijn moeder geworpen. Het heeft de tragiek overgenomen, ons verdriet verdubbeld.
Onderstaand stuk staat al weken klaar om te verschijnen. Nu kan het. Ik heb een zin over mijn vader aan de tekst toegevoegd, verder niks. Alsof er niet meer is dan een zin. Het overlijden van mijn vader; een regel tekst. Onzin natuurlijk. De herinneringen aan mijn vader zijn recenter, helderder. Het gevaar bestaat dat een hiërarchie van rouw ontstaat. Dit stuk is voor mijn moeder en 
gaat verder waar ‘Dubbeldruk. Weg.’ ophield; op de rand van een bed. 

Meestal zijn we volwassen, soms weer kinderen. Haar arm om me heen. Twee volwassen kinderen in een bubbel van verdriet, een plek waar tijd niet bestaat, waar alles even voor altijd duurt. Wezenloos. Kwetsbaar zijn we. Het is een eenzaamheid die ik nooit eerder zo heb meegemaakt. Een minuut of tien heb ik nog alleen op de rand van het bed gezeten. Al is mijn herinnering daar niet concreet over. Tijd houdt op met bestaan als je besef geen deel meer van uitmaakt van de werkelijkheid. Je weet niet wat je gaat voelen als een van je ouders sterft. Verdriet. Natuurlijk. Maar in hoeverre vreet dat verdriet je op?

Doe maar rustig aan, pap wacht op ons voordat hij de huisarts belt, zei mijn zus nog voordat ze uit de kamer ging. Wat waren ze dapper dacht ik later nog, mijn vader en mijn zus. Zij waren wel nog in staat tot het nemen van besluiten. Ik niet. Ik douchte, moffelde mijn spullen gedachteloos in mijn rugzak en treuzelde naar beneden. Automatismen, door mijn brein ingeschakeld om mij op de been te houden. Mijn voorgeprogrammeerde lijf.

In de keuken gaven mijn zwager en ik elkaar een troostknuffel, at ik twee boterhammen met snijworst en dronk ik een kop koffie. Verder verliep alles stilzwijgend. Gedachten spookten, de woorden zwegen.

De weg naar het huis van mijn ouders leek eindeloos en verlaten van leven. Rechts van ons het Julianakanaal, links glinsterde de Maas in het licht van de maan. Daartussen wij. Dof. Mijn zus reed en ik voelde dat ik in gedachten langzaam begon af te brokkelen. Nog steeds die automatismen. Kijken, niets zien. Ademen, niets ervan begrijpen.

De achterdeur van ons ouderlijk huis was van het slot. Het was halfacht in de ochtend en nog donker. Tijd van het jaar. Winter. De deur van de keuken naar de gang stond wagenwijd open, alsof er haast was geweest. Het licht in de keuken scheen en van de bovenverdieping viel wat flauw licht naar beneden de gang in. Op de keukentafel zag ik oude kranten liggen. Knipsels. Flarden keukenrolpapier. Platgedrukte pakken Milsani. Sporen van een man die al jaren thuis voor zijn zieke vrouw zorgt. Mijn vader was boven. Daar was het stil.

Verwacht van het leven geen eerlijkheid, niet als je de rest van je leven van het leven wilt blijven houden. Ik voelde geen liefde voor het leven. Als het een nek zou hebben, had ik die nek dichtgeknepen. Ik zou heel langzaam meer en meer druk hebben uitgeoefend. Ik zou het net zo traag laten verlopen als de oneerlijke aftakeling van mijn moeder. Ik wilde het liefst al het licht uit de ogen van het leven knijpen. Het in de ogen kijken en terug laten kijken. Kijk me aan!, zou ik dan zeggen en de kop die op het leven zat met mijn vingernagels vastklemmen. Ik wilde het laatste zijn wat het leven zag. Maar het leven heeft geen nek.

Wat ik dacht was zinloos.

De wenteltrap is jaren geleden vernieuwd. Een familievriend heeft dikke treden gezaagd en gelakt, en die ophangen aan de stalen armen die nog bij de originele trap horen. Als kind probeerde ik altijd zo hoog mogelijk ervan af te springen. Dan pakte ik met mijn linkerhand de reling vast en duwde met mijn rechter tegen de draagbuis waar de treden aan ophingen. Op die manier slingerde ik mijn tengere lijf in een flauw bochtje naar beneden waar ik behendig door mijn knieën landde. Vroeger kraakte de treden, wat ongezien te laat thuiskomen bij voorbaat al onmogelijk maakte.

Waar was je?, hoorde ik mijn moeder dan uit haar slaapkamer vragen.
Ik maakte me zorgen, zei ze dan nadat ze was opgestaan en met de badjas op de overloop stond terwijl ik morrelend aan mijn slaapkamerdeur mijn dronkenschap probeerde te verhullen. Maar de nieuwe treden kraken niet, slechts in de herinnering kraken ze.

Mijn moeder hoeft zich geen zorgen meer te maken.

De dag voor haar overlijden zat ik bij haar op bed. Ik heb toen zachtjes tegen haar gepraat. Ik heb haar haar gestreeld en een kus gegeven. Ze lag er roerloos bij. De volgorde van de dagen en de herinneringen zijn een brei. Ergens in die periode keek ze me nog lachend aan, wilde ze praten. Stond ze op uit bed en nipte ze glimlachend aan een glas lauwwarme citroenthee. Beneden in de woonkamer. Ze lachte alsof ze iets zag waar ze fijne herinneringen aan had. Was energiek.

Ze leek blij om mij te zien. Ik, haar oudste. Een filmcliché keert terug naar thuis, omdat zijn moeder doodziek is. Om afscheid te nemen. Kijk mam, daar is het zwarte schaap. Je zoon die jou vroeger soms zo verdrietig maakte zoals alleen zonen dat kunnen. Die verzweeg wat hij uitspookte, omdat hij jou niet wilde kwetsen, jou niet wilde teleurstellen. Maar ook je zoon die na jaren aanrommelen doet waar hij van houdt. Dat is hem gelukt omdat jij hem nooit iets oplegde. 

Ik hoop dat je trots op me was, ondanks alles. Ik heb het je niet meer kunnen vragen.

Mijn vader staat naast het bed. Ik leg een arm om hem heen en om mijn zus. Ik zie mijn moeder weerloos in bed liggen. Dan breek ik in ontelbaar veel stukjes. Zoveel kwetsbaarheid. Zoveel onrecht. Zoveel pijn. Er zullen vast woorden voor zijn, maar ik kan ze niet vinden.

De zon komt op. Het leven gaat door. Zaterdagochtend. Mensen en boodschappen. Kinderen naar sport. Koffie wordt gezet. Thee wordt gedronken. Kranten worden gelezen. Beneden in de woonkamer praten we. Huilen we en houden we elkaar vast. We hebben alleen elkaar. We ontvangen de schouwarts die haar dood vaststelt, bellen met de huisartsenpost. En we bellen met de universiteit van Maastricht. Met we bedoel ik mijn zus. Mijn vader en ik zijn daartoe niet in staat.

Mijn moeder heeft haar lichaam ter beschikking gesteld aan de wetenschap. Daarom de universiteit. Ik stel me voor hoe de persoon – een student waarschijnlijk – aan de andere kant van de lijn op gepaste wijze verheugd is met het nieuwe lichaam. Mocht Alzheimer ooit genezen of voorkomen kunnen worden, dan houd ik me graag voor dat mijn moeder eraan heeft bijgedragen.
We ontvangen de uitvaartmensen van de universiteit. Zij tillen het lichaam van mijn moeder respectvol in een zwarte zak en dragen haar voorzichtig als op eieren naar beneden, de wenteltrap af. Naar buiten. Waar het donkergrijze uitvaartbusje klaarstaat. En wij. Om haar lichaam te zien vertrekken.

Net geen twee maanden later valt mijn vader met zijn racefiets en overlijdt.

Als kind denk je niet aan de dood. Die speelt geen rol van betekenis. Ook niet als de dood jouw wereld heel even schampt. Onverbiddelijk, bijna plagerig. Als kind zijn je ouders onsterfelijk. Net als jijzelf. Zo voel je dat. In werkelijkheid is het leven alleen eerlijk over de dood. Onsterfelijk ben je alleen op papier en op internet. In mijn hart leven ze door. En als ik er niet meer ben, leven ze door in mijn kinderen en als zij er niet meer zijn is deze tekst er nog. Ergens in een mapje in een la of op een anonieme server ergens op een ander continent. Voor altijd. Dat is ook troost, hoe gek dat misschien ook klinkt.

%d bloggers liken dit: