Heb Het Er Maar Over

Vertelt doorgaans de waarheid

Tag: herinnering

Het jaar in duigen…

A90DE35F-262D-4CD8-9840-A77CD0296111.jpeg

Een jaar geleden. Mijn zus belde. Ik was aan het werk. Of ik vrijuit kon praten vroeg ze. Ik zei ja. We zijn vandaag maar met z’n tweeën op kantoor, antwoordde ik.
Ga toch maar even ergens anders bellen. Of misschien kun je beter maar even gaan zitten, stelde ze voor.

Mijn zus zegt dat soort dingen nooit. Haar toon verried ernst. Maar de rationalist in mij dacht, hoe ernstig kan het zijn? Mijn moeder was nog geen twee maanden eerder overleden. Dus. Wat er ook was, het kon niet.
Ik liep naar buiten en hoorde maar de helft van wat ze zei.
Hard, hoorde ik.
En gevallen.
Tenslotte ziekenhuis en coma.
En toen ging ik zitten.

Vier dagen later was mijn vader dood. Op 31 januari. De beslissing om te stoppen met zijn behandeling was aan ons. Dat verdriet gun ik niemand.

Dat was gisteren precies een jaar geleden. Eerst mijn moeder, twee maanden later mijn vader. We verkochten ons ouderlijk huis. Mijn tante overleed en ik raakte – in goed overleg weliswaar – mijn baan kwijt. Dat is heel veel afscheid nemen in heel weinig tijd.

Dat jaar is voorbij. Ik heb er de laatste paar weken veel over geschreven. Catharsis. Het moest eruit. Nog steeds of opnieuw. Wie weet. Rouw heeft geen eindpunt. Alles blijft een herinnering. Ze vergaan, maar doen dat heel langzaam. En soms duiken ze in alle helderheid weer op, brengen het gevoel dat verborgen lag weer heel even terug.

Een jaar heeft wel een eindpunt.

Het gemis is groot; het maakt me klein en kwetsbaar. Nederig. En tegelijkertijd put ik er troost uit en maakt het me sterker dan ooit. Omdat ik weet hoe trots ze zouden zijn op mijn zus en ik, op R. en J. en onze kinderen. Trots op waar we zijn en hoe we ons uit die verdomde put graven. Hoe we verder gaan. Elke dag op weg naar een sprankje meer licht en warmte. Op weg naar lucht.

Advertenties

Avontuurassistenten

image

Het spoorhuisje staat er nog, het ligt verborgen langs het spoor dat het bos doorsnijdt. Ooit pauzeerden er spoorwegwerkers in het huisje. In 1982 was dat ons speelterrein. Spelen langs het spoor, moet je nu eens proberen. We hadden in de zomer van ’82 net de eerste heuvel van het bos bevrijd en slopen de spoorweg over om te hergroeperen achter het huisje. Het bos erachter was vijandelijk gebied. In het netje over mijn helm staken takjes. Onze vijand zat in het bos. Die zag je niet, maar hij was er wel.

Behalve leeftijd is hier niet veel veranderd.

Ik zonder me af van de groep, het duurt me allemaal te lang. Zoonlief duikt bij elk insect de grond op, dan duurt een wandeling lang. Mijn ouders zijn geduldig. Ik niet, ik wil vooruit. Verkennen, net als in ’82.

“Ik heb een mestkever, een duizendpoot en wat torretjes gezien. Nog geen adder”, zegt zoonlief hijgend als hij me weer heeft bijgehaald.
“En ook nog geen wolf”, vult hij aan.
Ik laat hem in de waan.
“En nog geen wolf”, herhaalt zijn zusje trots. Haar gezichtje glimt van het zweet.
Ze klemmen een schepnetje vast.
“Kom hulpje, we zoeken verder”, roept hij wegrennend tegen zijn zusje.

Het bos is een hellingbos. Zijn flanken zijn zo steil dat het lijkt alsof de flora elk moment over je heen wil slaan, als een golf aan het einde van zijn tocht. We sluipen door varens, op weg naar de duiker die aan de overzijde van het spoor ligt. We stappen door de kreekjes en beekjes die van de helling naar beneden kabbelen. Een steil pad brengt ons naar de vlonderbrug die over het spoor loopt.
“Komt ie!”, roep ik.
De intercity richting Maastricht schiet onder ons door. Je ziet het loof van de bomen langs het spoor verward door de wind van de trein wapperen en weer tot rust komen. Ook bomen schrikken, zeg ik tegen mijn dochter.

Ik loop hier door herinneringen. Hoe mooi ze ook zijn, aan herinneringen zit altijd afscheid verbonden. Niet iedereen van toen is er nog. Na elk bezoek aan een bos neem ik afscheid van opa. Ik mis hem. In mijn kinderen zie ik mezelf, wandelend door het bos met opa en oma. Behalve dat mijn oma er nooit bij was. Die verliet het dorp alleen om te kienen.

Herinneringen drukken alles aan de kant tot alleen de stilte er nog is. Hoe vaker ik terugkeer naar mijn herinneringen, hoe stiller ik word. Ik kan het voelen, hoe ze langzaam maar zeker van me wegglippen. Een paar herinneringen zullen blijven, die neem ik mee. Ik zou willen weten welke dat zijn.

De belofte van ijs en de natte broek van dochterlief kort de wandeltocht in. Zoonlief waadt nog snel even een grote plas in en laat zich door de bodemsmurrie vastzuigen. Terwijl hij verder zakt loopt het water zijn laarzen in. Hij buldert het uit. Met de grootste moeite weet opa hem met het schepnet eruit te trekken. Wonder boven wonder heeft hij zijn laarzen nog aan.
“Jullie kunnen mijn avontuurassistenten worden”, lacht hij eenmaal terug op de kant. Met het water klotsend in zijn laarzen loopt hij door. Op zijn voorhoofd lees ik ‘avontuur’.
Ik sta verderop, wachtend op de rest. Ik schop tegen een steentje en slinger een stok het bos in.
“Kijk een kolibrie!”, hoor ik.
Mijn opa zou hen hebben uitgelegd dat kolibries niet in Nederland voorkomen. Maar opa is er niet meer. Dus zegt mijn vader het.
“Dat is geen kolibrie, maar een kolibrievlinder.”
Zoonlief glimlacht. In die glimlach zie ik de geboorte van een herinnering.

%d bloggers liken dit: