Heb Het Er Maar Over

Vertelt doorgaans de waarheid

Tag: herinnering

Alles is ooit ergens begonnen

We waren in Schin op Geul. Schattig plaatsje, heeft niet veel om het lijf. De Keuteberg ligt er. Een paar ‘auberges’ (zo noemen ze daar een herberg), wat mergelhuisjes en een tattooshop.

Dat laatste weet ik omdat mijn eerste tatoeage in Schin op Geul is gezet. A. was er ook bij. Dat was in 1990, voor zover ik me kan herinneren. Het was de enige shop in de regio waar ik het bestaan van wist. Internet bestond nog niet en ik kende verder niemand met tatoeages. Althans niet persoonlijk. Het geheel was kortom een beetje schimmig. Ongewenst en stijf van de vooroordelen.

Ongelofelijk hè? Ga nu maar ‘s dagje naar het strand. Precies.

Maar goed. Ik kende de shop in Schin op Geul omdat ik er geregeld met de racefiets langskwam. De gothische belettering aan de gevel. Opvallend. En dan dat woord; tattoo. Pontificaal op de gevel. Poing! Ik kreeg er rillingen van. Goeie rillingen, let wel. #zinin-rillingen.

A. was ervoor in. Wij zagen er wel een toffe herinnering in. We hadden gelijk. De herinnering aan het schieten van gaatjes in onze oorlellen – wat we ook al hadden laten doen – verbleekte hier vanzelfsprekend volledig bij. (Al is de herinnering aan het gaatje dat mijn zwager en ik zelf dronken met een naald op een jongerencamping in Hackney, Londen in onze andere oorlel probeerden te jassen wel weer een glanzende herinnering. Daar we leerden meteen dan jodium in het Engels niet djodiam is, maar iodine. Afijn.)

Drie keer ben ik in de shop gaan kijken in Schin op Geul, zenuwachtig bladeren door de flash art-boeken terwijl ik stiekem genoot van het snerpende geluid van de gun en de naald die iemands huid binnendringt. Met mijn rug nat van het zweet en klamme handen heb ik een afspraak gemaakt.

De prikdag zelf was pure magie. Ik koos een gek uitziend Inca-achtig tafereeltje, wat jaren later een Haida-adelaarskop bleek te zijn, twee eigenlijk. Een soort yin en yang. In de jaren die volgden is er steeds meer beginnersrommel omheen gezet. Op de logische beginnersplek: de bovenarm. Let wel: 1990. Anno nu laten firsttimers direct complete sleeves zetten. Of laten ze allerlei crazy shit in hun nek prikken. En zijn zelfs gezichtstattoos niks bijzonders meer.

A. ging als eerste, geloof ik. Hij liet een soort van Keltische ring op zijn bovenarm zetten. Na een paar prikken van de naald leek zijn licht uit te gaan. Niet gegeten. En het was erg warm die dag. Ik vond het allemaal wel meevallen. Vooruit, de bovenarm is natuurlijk wel de watjesplek. Veilig, redelijk pijnvrij, dikke huid en volledig te bedekken door kleding. Na afloop kregen we verzorginstructies en reden we naar E. waar we op het terras tegenover een dikke maaskei en een kerk een biertje dronken. Twee trotse jongemannen die vol ontzag naar elkaars bebloede bovenarm keken en elke kans aangrepen om erover te vertellen. Toen na een week de eerste gitzwarte velletjes van de tattoo los begonnen te laten, raakten we in paniek. Het was mislukt! Het bleek normaal te zijn. Wisten wij veel. 1990 hè.

Op die plek in Schin op Geul waren wij dus onlangs, mijn bovenarm en ik. Daar ontdekte ik dat op de plek waar de tattooshop zich destijds bevond nu een tandprotheticus huist. Nog even schimmig en klein overigens. Bij A. is het overigens gebleven bij die Keltische ring. Ik heb doorgepakt. Allemaal herinneringen aan bepaalde fases uit mijn leven. Gezet in Eindhoven, Maastricht, Breda, San Francisco en Las Vegas. Alles wat in deze blogpost geschreven staat, staat ook op mijn bovenarm. Het ziet eruit als een licht uitgelopen tweekoppig adelaarsachtig tafereeltje. Plus de herinneringen. Ik kan me overigens niet voorstellen dat de herinnering aan een tandprotheticusbezoekje evenzo onvergetelijk is.

Advertenties

Het jaar in duigen…

A90DE35F-262D-4CD8-9840-A77CD0296111.jpeg

Een jaar geleden. Mijn zus belde. Ik was aan het werk. Of ik vrijuit kon praten vroeg ze. Ik zei ja. We zijn vandaag maar met z’n tweeën op kantoor, antwoordde ik.
Ga toch maar even ergens anders bellen. Of misschien kun je beter maar even gaan zitten, stelde ze voor.

Mijn zus zegt dat soort dingen nooit. Haar toon verried ernst. Maar de rationalist in mij dacht, hoe ernstig kan het zijn? Mijn moeder was nog geen twee maanden eerder overleden. Dus. Wat er ook was, het kon niet.
Ik liep naar buiten en hoorde maar de helft van wat ze zei.
Hard, hoorde ik.
En gevallen.
Tenslotte ziekenhuis en coma.
En toen ging ik zitten.

Vier dagen later was mijn vader dood. Op 31 januari. De beslissing om te stoppen met zijn behandeling was aan ons. Dat verdriet gun ik niemand.

Dat was gisteren precies een jaar geleden. Eerst mijn moeder, twee maanden later mijn vader. We verkochten ons ouderlijk huis. Mijn tante overleed en ik raakte – in goed overleg weliswaar – mijn baan kwijt. Dat is heel veel afscheid nemen in heel weinig tijd.

Dat jaar is voorbij. Ik heb er de laatste paar weken veel over geschreven. Catharsis. Het moest eruit. Nog steeds of opnieuw. Wie weet. Rouw heeft geen eindpunt. Alles blijft een herinnering. Ze vergaan, maar doen dat heel langzaam. En soms duiken ze in alle helderheid weer op, brengen het gevoel dat verborgen lag weer heel even terug.

Een jaar heeft wel een eindpunt.

Het gemis is groot; het maakt me klein en kwetsbaar. Nederig. En tegelijkertijd put ik er troost uit en maakt het me sterker dan ooit. Omdat ik weet hoe trots ze zouden zijn op mijn zus en ik, op R. en J. en onze kinderen. Trots op waar we zijn en hoe we ons uit die verdomde put graven. Hoe we verder gaan. Elke dag op weg naar een sprankje meer licht en warmte. Op weg naar lucht.

%d bloggers liken dit: