Heb Het Er Maar Over

Vertelt doorgaans de waarheid

Door wind en weer en weer door wind

FullSizeRender.jpeg

Onlangs bezocht ik een specifiek deel van mijn verleden. Daar had ik twee redenen voor. Bijkletsen met een oud-collega en aansluitend een kennismaking met een klant. Er was koffie met koekjes met N. die ik al zo’n 14 jaar niet meer had gesproken. De tijd inhalen is zóveel leuker als er veel van gepasseerd is. De 2,5 uur vlogen voorbij.

Ik had bedacht het specifieke deel van mijn verleden te bezoeken op weg naar de kennismaking met de klant. Een tussenstop. De plek waar men mij hoger heeft opgeleid bestond jarenlang alleen in de schaduw van mijn herinneringen en ik wilde graag weten wat er in het echt nog van over was. Aanschouwen en terugdenken. Te voet, want al wandelend verplicht je jezelf tijd en ruimte te nemen voor je gedachten. De wereld gaat immers al snel genoeg.

Afstandmeten.nl vertelde me dat de wandeling van het koffiehuisje waar ik was naar de kennismaking met de klant via de plek waar ik hoger ben opgeleid circa 45 minuten zou duren.

Peanuts natuurlijk. Maar het regende en het stormde en afijn.

Natuurlijk had ik me ook door N. af kunnen laten zetten. Of ik had D. – met wie ik samen de afspraak had – kunnen vragen om mij op te pikken. Maar ik had duidelijk met mezelf afgesproken om te gaan wandelen. Dergelijke afspraken met mezelf staan dan meteen in steen gebeiteld. Er valt niet meer aan te tornen. Alsof ik iets te bewijzen heb.

De storm nam ik voor lief. De plu klapperde en boog en verzette zich manhaftig tegen zijn naderende einde. Regenvlagen splitsten zich om mij heen en vonden elkaar weer voor me. Fluitend. De wind wel. Mijn achterkant was drijfnat, omdat het daar stormde. Mijn voeten voelden steenkoud. Ik nam het allemaal voor lief.

Het opleidingsgebouw – waar ik me verrassend genoeg op verheugde om het te zien -bleek weg te zijn. Het gebouw leek letterlijk ruw uit het landschap te zijn gesneden. Als een wrat. Zo oud was het gebouw toch niet? Blijkbaar was het door commissies en instanties ongewenst bevonden, alsof er dingen plaatsvonden die het daglicht niet veelden. Als een slechte herinnering die plaatsmaakt voor een nieuwe, betere herinnering.

Ik glimlachte om zoveel ironie. Zoveel goede herinneringen heb ik niet aan mijn opleiding. Wel veel onvergetelijke herinneringen. Goed en onvergetelijk hoeven niet per se gerelateerd te zijn, heb ik ervaren. Aan mijn opleiding heb ik een bachelor en een goede vriend overgehouden. En aan die bachelor hecht ik niet veel waarde.

Alleen de sporthal staat er nog. Een spandoek kondigt enthousiast een turnvereniging aan. Meteen springen de herinneringen in mijn kop. De introductiedag toen we elkaar voor het eerst allemaal ontmoetten. Hoe we in het propedeusejaar naar de dependance een rotonde verderop wandelden en onderweg snel een sigaretje rookten. Het ongemak, de onwennigheid. Hoe we bewust en onbewust vriendschappen voorbereidden. Houdingen aannamen. Ons al snel verbaasden over de achteloos weggewimpelde onkunde binnen de opleiding.

Mijn periode aan de opleiding was hooguit een wanhopige invulling van het moment. Het was in geen geval een voorbereiding op een mogelijk epische carrière. Dagdromers hebben doorgaans geen grootse carrières, althans niet volgens de definitie. En ik was vooral een dagdromer in een nachtmerrie van onmogelijkheden, aanwezig achter een ondoordringbare waas die – wie zal het zeggen – iets onvoorstelbaar moois, volledig onbereikbaar maakte.

Misschien had ik nog iets af te handelen met die fase van mijn leven en heeft het universum me daarom naar deze plek teruggebracht. En er meteen maar een passend weertype aan toegevoegd. Wie weet. Maar deze keer loop ik door. Storm of geen storm. Naar een klant en een klus. Naar een ander leven. Een leven dat gek genoeg zonder deze opleiding, nooit het leven zou zijn dat het nu is. In al zijn krankzinnigheid is dat een bitterzoete constatering.

Advertenties

Terug naar huis…

IMG_0046.jpeg

Mijn zus en ik, circa 1981.

Nou jongens, welkom in de jaren ‘70. Tis me wat hè. Ik kijk naar twee paar starende kinderogen. Voor mijn kinderen stam ik uit de oertijd. Zo ook de plek waar we nu zijn. De keuken met die bovenmaats grote betonnen wasbak. De serre erachter, ik herken hem direct. We legden er zakdoekjes op S.’s zesde verjaardagsfeestje. Die herinnering is nog verrassend helder, aangewakkerd door wat ik zie. De lambrisering, de linnen wandbekleding. Niets in dit huis is veranderd sinds mijn laatste bezoek.

Beschaamd concludeer ik dat ik het huis van mijn oom en tante al decennia niet meer bezocht heb. Weten dat ik er niet meer kwam heeft nooit aan me geknaagd. We zagen elkaar op zondag bij oma thuis. Nu, staand in de deur, overvalt dat gevoel me dubbel. We worden hartelijk ontvangen en ik besluit geen woorden vuil te maken aan mijn schaamte. Zij doen het ook niet. We komen uit een familie die nergens teveel woorden aan vuil maakt.

S. is er ook. Met haar man. Zij is mijn enige nicht aan vaderskant en het enige kind van A., de jongere zus van mijn vader. A.’s man J. zit verankerd in zijn stoel, alsof hij daar sinds mijn laatste bezoek voor het gemak maar is blijven zitten. Het veldrijden is op tv. Winterweekenden. Vaste prik. Zonder Matthieu van der Poel deze keer, onderstreept J. voor de duidelijkheid. Dat is leuk voor de andere veldrijders, lach ik.

We zijn er allemaal. Met koffie en vlaaien van een bakker uit Neerbeek, want J. reist – net als mijn vader dat deed – de provincie af voor de lekkerste vlaai en het beste brood. Mijn vader reed er helemaal tot in Margraten voor. Mijn ouders maakten er dan een dagje van.

We praten bij en halen herinneringen op. We lachen respectvol om J.’s hobby. De beste man verzamelt bidprentjes. Trots laat hij zijn collectie zien. Gearchiveerd op alfabet én op jaartal van overlijden. Ik heb er zo’n 200.000, lacht hij een beetje achteloos. Ik krijg er binnenkort weer zo’n 600, via mijn mannetje bij de Dela, vult hij aan. Ik loop hardop lachend de trap naar beneden. Weet je hoeveel bidprentjes hij heeft?, zeg ik luid tegen mijn publiek in de woonkamer en klap van de lach met mijn vlakke hand op mijn bovenbeen.

We bedanken ze voor de koffie en vlaai. We moeten door. Voor het eerst sinds maanden gaan we terug naar mijn ouderlijk huis. De nieuwe eigenaren hebben ons uitgenodigd. De vraag was lange tijd of ik dat wel wilde? Terug naar de plek waar ik ben opgegroeid, wat zou dat met me doen? De plek waar mijn leven in de kieren en scheuren zit. Mijn geur in het behang. Wat zou een bezoek me brengen behalve verdriet?

Het huis is door mijn vader zelf gebouwd. In 1973 als ik me niet vergis. Met zijn vader en wat ingehuurde metselaars. Zo ging dat toen. De bouwtekening was dezelfde als die van het huis van een vriend van mijn vader. Overigens circuleert er een 8mm filmpje waar ik door mijn vader een steigerplank word opgetild. Waar ik vervolgens volkomen onverantwoord een beetje heen en weer waggel. Dat terzijde.

De complete straat waarin ik ben opgegroeid is gebouwd in hetzelfde jaar. We groeiden er samen op. Mijn buurkinderen, mijn zus en ik. Allemaal in hetzelfde soort huis, met een evengrote tuin. Tegenover de kerk. In die straat knikkerden we, liepen we op stelten, organiseerden we onze eigen rondjes rond de kerk, speelden we stoeprandje, skateboardden we. Een zeven huizen tellende mini-Vinex was het, in een dorp met nog geen 1000 zielen.

Het huis maakt geen deel meer uit van onze familie. Het is nu een hoofdstuk in onze familiegeschiedenis. Geen anekdote, daar is het te belangrijk voor. Voor mijn ouders was een eigen huis met een gezin een droom. Het boompje stond in de voortuin. Zie foto. Die droom hebben ze letterlijk zelf gebouwd en is vorig jaar met een handtekening en een zwaar hart overgedragen aan anderen. Het is nu hun droom en daarin lopen wij verdwaasd en verloren rond.

Ik ben er als gast, ook al ben ik erin verweven als geen ander. De benedenverdieping is onherkenbaar. Mijn moeder zou vast geroepen hebben dat het heel mooi is. Mijn vader zou vooral zijn zorgen hebben uitgesproken over het gras van de achtertuin. Dat het door mijn vader zo gekoesterde boompje uit de tuin was viel ons pas later in.

De omvang van de verandering in het huis helpt me. Ik ga niet kapot. Ik zoek referenties, plekken die ik nog herken van vroeger. Waar wij hangend op de bank naar Van Kooten & De Bie keken, staat nu een keuken. Waar het terras begon ligt nu een woningbrede kamer. Waar de keuken was, ligt nu een hal. Op de bovenverdieping is nog niks veranderd. Dat is voor later wordt ons verteld. Ze hebben grootse plannen. Boven blijf ik weg. Daar ligt mijn kamer, die afgebakende plek waar ik altijd veilig was voor de buitenwereld. Waar ik liggend op bed in de ogen keek van de Iron Maiden mascotte. Daar weer zijn, kan ik niet aan.

Kan zomaar zijn dat ik na vandaag niet vaak meer in M. kom, zei ik nog tegen J. toen we in de deur stonden om weg te gaan. Behalve het graf van mijn grootouders heb ik er niks meer. J. knikte begrijpend. De beste man onderhoudt het kerkhof een beetje, voor zover het die naam nog mag hebben. J. wordt wekelijks geconfronteerd met de pijn, gevoelig als hij is. En hoe raar het ook klinkt, het is de pijn die hem een beetje staande houdt.

Bij de grafsteen van mijn grootouders hebben we een herdenkingskistje voor ma gezet. Ze wilde haar lichaam aan de wetenschap schenken. Behalve in ons hart hebben we geen plek om haar te herdenken. De grafsteen en het herdenkingskistje staren roerloos richting het huis waar we net op bezoek waren, dat toevallig of niet pal met de achterkant voor het kerkhof ligt, de plek waar alles in het leven ophoudt.

%d bloggers liken dit: