Heb Het Er Maar Over

Vertelt doorgaans de waarheid

Zorgen dat hij niet verzuipt

Zachtjes hoor ik hem zingen. De melodie die hij hoort duikt direct zijn hart in. Hij zingt een beetje met de rem erop, onzeker over woorden die hij niet begrijpt. Onzeker over waar de gevoelens die hij plots heeft vandaan komen.

Ik sta halverwege de trap.

De oudste is een tiener. Sinds een jaar inmiddels. Zijn kamer wordt steeds meer zijn toevluchtsoord. Zijn plek weg van ons, de zeurende ouders. Zo voelt hij dat. Wij hebben hem altijd veel vrijheid gegeven. Zo min mogelijk opleggen, maar juist zoveel mogelijk toestaan onder onze begeleiding en uitleg. Het sluipt erin, de puberteit. Zijn meningen, zijn gedrag, zijn voorkeuren. Langzaam begint het afzetten tegen de gevestigde orde in huis. Zich tegen ons afzetten en muziek zijn twee handen op één buik.

Ben je muziek op YouTube aan het luisteren, zeg ik terwijl ik op de bedrand plaatsneem. Ik hoorde je net zingen, vervolg ik met een glimlach. Hij kijkt me betrapt aan. Wangen gloeien rood.
Ik probeer het, antwoordt hij. Het is mijn favoriete liedje.
Ik zong ook altijd mee, zeg ik en terwijl ik het zeg zie ik mijn vader halverwege de trap in mijn ouderlijke huis staan.

De zoon heeft zowat elke week een nieuw favoriet liedje. Zoals ik al zei, smaak staat in de steigers. Op zijn leeftijd is dat goed. De snelheid van fluctuerende smaak brengt uiteindelijk alles wat goed en slecht is te berde. Hij stelt zich open, probeert en ervaart. En wat raakt, dat blijft. Op zijn minst maakt hij zijn belevingswereld groter.

We leren hem om de wereld vanuit verschillende perspectieven te bekijken, hoe moeilijk dat soms ook voor hem is. Als kind van ouders die allebei naadloos aanvoelen wat een ander voelt, heeft hij wat dat betreft een voorsprong. In het zoekende brein van een bijna 11-jarige zijn al die onbekende gevoelens van vreemden en hoe ze zich op hem projecteren overweldigend. In die overvloed zou hij zomaar kunnen verzuipen. Het is aan ons om de badrand te bewaken.

Wat luister je? Mag ik het zien? Hij luistert naar Imagine Dragons zie ik op het scherm van mijn oude mobieltje. Formuleliedjes. Gladgestreken poprock. Ik dring hem mijn mening niet op. Ik snap hem. (Ooit vond ik You Give Love a Bad Name wel te behappen.) Op zijn leeftijd is het brein extra ontvankelijk voor eenvoud en herkenbaarheid.

(Ik heb het overigens even gecheckt. Imagine Dragons stond in de playlist van KinkFM direct voor Stinkfist van Tool. Dat stelde me toch een beetje gerust, al vermoed ik dat Tool nog een beetje teveel gevraagd is voor hem. Later misschien, hoop ik zeldzaam naïef.)

Toen ik bijna 11 was draaide ik het ‘Best of Elvis’ cassettebandje van mijn ouders letterlijk kapot in het oude spelertje van mijn vader. Muziek ontdekte je toen alleen op de radio, via via of gravend in de collectie van je ouders. Toen ik eindelijk ontvankelijk was voor muziek liep ik meteen Iron Maiden tegen het lijf en niet The Cure. Via via. Een beslissend moment.  De keuze was destijds overigens allesbehalve reuze. Het was of metal of new wave. Of Top 40, wat simpelweg betekende dat je van alles hield, behalve van metal of new wave. Het leven was zo ingewikkeld nog niet.

Ik ben al blij als zoonlief niet van die algoritmevriendelijje autotunemeuk gaat houden. Al zal ik dat zo nooit tegen hem zeggen. In die zin verwacht ik dat Imagine Dragons voor hem een opstapje is naar meer diepgang en culturele en creatieve uitdaging dan – ik noem maar wat – de laatste track van Josylvio of Jacin Trill. Iedereen zijn ding natuurlijk. Zoals ik al zei, muziek gebruik je ook om je af te zetten tegen je ouders. Met Josylvio op een dienblad gaat dat geheid prima lukken.

Kunstkeuzes worden anno nu veel meer gemaakt op basis van wat de algoritmes je voorschotelen, dan waar je zelf je best voor doet. De uitdaging van zijn generatie is om daar uit te durven stappen. Je moet juist naar de bron zoeken, niet kritiekloos opvangen wat de monding uitbraakt. Ook dat zal ik hem zo niet zeggen, maar vergeef het me als ik hem hier en daar een beetje probeer te sturen.

Wanneer ik weer naar beneden loop hoor ik hoe hij ‘Write down my poems for the few’ foutloos meezingt. Dat hij niet goed weet wat de woorden betekenen en waar ze voor staan geeft niks, alles beter dan ‘Je bent er altijd meisje, je hebt je verstand en je bankpas bij je’ of iets van vergelijkbare strekking. Die woorden zou hij namelijk wel snappen. Het zou hem geen centimeter dichter richting nieuwsgierigheid bewegen. Wel heel dicht bij een zwaar geïrriteerde vader.

Advertenties

Wip gerust ’n keertje binnen…

Heel hard kwamen ze op mij af, de muren van ‘de werkzolder’. Opeens. Geen opbouw, geen waarschuwing vooraf. Bam en daar waren ze. De muren. De oorzaak was meteen duidelijk. Een combinatie van factoren die in het moment zelf onoplosbaar was hield mij in een wurggreep. Verspreid over twee maanden tijd schopten drie weken schoolvakantie plus drie extra studiedagen mijn werkproces overhoop. Leuk voor de kinderen, maar voor de thuiswerkende ouder zijn al die vakanties een mini-drama. Daarbij, met je rug naar je bed toe werken is niet bepaald wat je noemt een gezonde setting.

Afijn. Na de zoveelste papaaaaa! besloot ik om een kantoorkamertje te gaan zoeken.

Al ruim voor de officiële start als freelancer ging ik op een haast schattige manier op zoek naar flexplekken om te kunnen werken. Dat leek me wel wat. Met mijn nieuwe kekke werktasje de lokale koffiehuisjes afstruinen. Koffietje doen. Iets met gierst eten. Inspiratie vinden op bijzondere plekken. Afijn, je kent de Instagramfoto’s wel. Die waar jonge, goedverzorgde mensen lachend achter een mok muntthee de tijd van hun leven lijken te hebben.

Even leek het erop dat ik een stockfoto wilde zijn.

Toen ik hardop lachend wakker schoot en duidelijk werd dat het flexdeel van mijn droom in mijn geval een nachtmerrie zou worden, ben ik op zoek gegaan naar een ouderwets ‘kantoortje’. Natuurlijk kan je daar ook weer allerlei hippe omschrijvingen voor verzinnen, maar het ‘kantoortje’ is en blijft gewoon een ordinaire tafel met een ordinaire stoel op een plek met ordinaire muren.

Een kantoor moet vooral functioneel zijn. Voor een tekstschrijver/copywriter bestaat functionaliteit uit afzondering van reuring en rust in het hoofd. Twee factoren die onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn.

Als tekstschrijver (met name) en/of copywriter (in mindere mate) is jezelf lichamelijk afzonderen van de hectiek van het dagelijks leven ESSENTIEEL. Dat en koffie. Dat wist ik natuurlijk allang, maar als net begonnen freelancer wil je je freelanceschap nu eenmaal aan de grootst mogelijke klok hangen. Kaartjes uitdelen. Roeptoeteren. Uiteindelijk kom je er dan achter dat je veel van dat doet, maar werken ho maar.

Na enkele kantoortjes op een haar na gemist te hebben (want te duur, te laat, of toch maar niet) heb ik er eindelijk een gevonden. Op een fraaie plek langs het kanaal op nog geen tien minuutjes fietsen. In een jarenzestigbedrijventerreinachtig gebouw dat door de mensen van Zuid Creatives opgeknapt is en omgetoverd is in een creative hub. Inderdaad, je leest het goed. Een hub. Creative, ook dat nog. Hip dus. Ik huur rechts onderin de uithoek van de hub een tafel in een kamer van zo’n 16 m2 die ik ga delen met iemand anders. Dat is spannend aangezien ik geen flauw idee wie dat is of zal zijn.

In hetzelfde gebouw zit verder een animatiestudio, een videoproductiebedrijf, een internetbedrijf, een pantry, veel leren bankstellen en een vergaderruimte. Typische kantoordingetjes. Ik kan er gewoon klanten ontvangen en netwerken en middagdutjes doen en mijn kop klaren met een wandelingetje langs het kanaal. Afijn, wat ik zeggen wil; wip gerust ’n keertje binnen als je in de buurt bent. Laat ik je daarna zien waar de zwanen langs het water zitten.

%d bloggers liken dit: