Heb Het Er Maar Over

Vertelt doorgaans de waarheid

Rukwedstrijd

De laatste keer dat ondergetekende een voetbalstadion bezocht was tijdens een bekerfinale in de Kuip. Dat was in 1999. Ajax (lees Grönkjaer en Witsche) veegde Fortuna Sittard van de mat en ik vond de tribune veel te steil.

Dat was toen, dit is nu; twee halfbakken mogelijk geïnteresseerden met vrijkaartjes in een stadion waar ze het eigenlijk veel te druk vinden, kijkend naar voetballers waar ze nog nooit van hebben gehoord.

Ooit was ik seizoenskaarthouder van FSC, zoals Fortuna Sittard ook wel eens wordt toegezongen. Klinkt natuurlijk ook veel Premiershipachtiger. Mooie plek hoor, de oude Baandert. Of mooi, mooi. Ouderwetserig sfeervol, laat ik het maar zo omschrijven. Als ik een seizoen geen kaart had, kreeg ik die van mijn buurjongen te leen. Hij speelde in de jeugd van Fortuna (later nog in de selectie) maar ging alleen als ze tegen Ajax speelden.

Op speeldagen verzamelden we voor de kerk in het dorp en fietsten we de 12 kilometer door weer en wind naar de Baandert om Fortuna te zien stuntelen. Meestal dan toch. De Baandert was ook de plek waar Utrechtfans ons bekogelden met vuurwerk en waar ik voor mijn leven rende, op de hielen gezeten door Ajaxfans. En ik droeg niet eens het clubsjaaltje!

De stadions van nu noemen we voetbaltempels. Ze zijn het resultaat van de megalomane ambities, geboren in de hoofden van over het paard getilde bestuursvoorzitters en schijtverwende sjeiks en Russen die Nederlandse voetbalclubjes cadeau krijgen van hun puissant rijke papa’s en mama’s. In die tempels – elk provinciestadje heeft er een – kijken we naar godenzonen. Persoonlijk keek ik liever naar boerenpummels en schoffelaren. Wat dat betreft zat je in de Baandert prima op je plek.

Afijn. De oudste had dus vrijkaartjes voor Willem II. Die kaartjes moesten alleen nog even online gevalideerd worden. Wat voor de kerk geldt, klopt ook voor voetbal. Lekker vroeg in masseren, dan heb je ze voor altijd te pakken, die kids.

Voetbalclubwebsites laten nogal eens wat te wensen over, vooral als je tickets wilt bestellen. Zo bestelde ik kaartjes voor stoeltjes lekker hoog bovenin het vak, dacht ik. Bij binnenkomst bleek het om stoeltjes helemaal onderin op ooghoogte te gaan. En dat – beste lezers – is bepaald niet eerste rang.

Dat sommige clubs niet teveel aan hun digitale aanwezigheid willen investeren snap ik. Die 50.000 euro kan net zo makkelijk het jaarsalaris voor die ene talentvolle 17-jarige aanvallende middenvelder. Het antwoord op de vraag ‘een nieuwe website of een nieuwe Frenkie de Jong?’ is daarmee gegeven.

De kaartbestelwebsite van Willem 2 is dus een beetje ruk. Ironisch in deze is dat ik ooit intensief betrokken was bij het conceptueel bedenken van de site van…inderdaad Fortuna Sittard. Zag er gelikt uit hoor toen. Heel erg Amerikaanse sportclubachtig. Het was de tijd van de flashintro’s. Dan weet je het wel.

Na de kansloze bekerfinale 1999 is de wedstrijdbezoeker in mij afgehaakt. Het sudderde al een tijdje, de afkeer. Niet tegen het spel of de club. Mijn walging had te maken met wat ‘clubliefde’ doet met een mens. De druppel was een man die pal naast mij op de noordtribune van de Baandert de scheidsrechter uitmaakte voor vuile k*nkerh*m*. Naast hem stond zijn 9-jarig zoontje. Mag jij eens raden wat die schreeuwde.

Zodra k*nker verandert van zelfstandig naamwoord in bijvoeglijk naamwoord valt de nacht. Voor mij houdt het dan op. Je mag als supporter gerust boos zijn. Maar als je jouw wekelijkse frustraties zodanig opkropt dat ze in een zin passen – of erger nog; in één woord – dan weet je het wel. Het was zo erg dat ik me ter plekke voornam om NOOIT met mijn mogelijke kinderen een voetbalwedstrijd te bezoeken.

Daal ik nog verder af in de annalen van de clubliefde dan kom ik uit bij mijn ‘ouwe cluppie’. Zo noemen ze dat bij dat kleedkamerhumorvoetbalpraatprogramma op de alleen voor mannen zender. Dat cluppie heet RKVV Havantia, in het vermaarde vierde elftal om precies te zijn. We speelden destijds een verdieping lager dan de kelder van de vierde klasse onderafdeling. Een middelbejaarde man schoffelde mij laf van achteren neer. De bal sprong zoals altijd heel ver van mijn voet, dus het excuus ‘ik ging voor de bal’ ging in deze niet op. In zijn actie zat dezelfde frustratie als de schreeuwende vader. Voetbal doet dat. Ik vroeg hem of hij zijn kutweken altijd zo verwerkte of dat het moest van zijn vrouw, hoefde hij het thuis niet te doen.

Het kan nog erger. In Italië maken sommige supportersgroepen apengeluiden om de tegenstander ‘te ontregelen’. Dat is geen racisme zeggen ze, dat zien we verkeerd. Laat ik dit herhalen, ik moest het ook twee keer lezen: In Italië maken sommige supportersgroepen apengeluiden om de tegenstander ‘te ontregelen’. Dat is geen racisme zeggen ze, dat zien we verkeerd.

Terug naar Willem II, waar de Kingside aangevoerd door een heuse ‘capo dei tifosi’ (heb ik opgezocht, moet je ook doen) het stadion zelfs tijdens een bloedeloze wedstrijd in vuur en vlam zet. Grappig om te zien hoe de fans van de tegenstander in het naburige vak braaf afstand bewaarden.

En dan opeens is het match of the day dag. Beiden hadden we last van een lichte pre-wedstrijdspanning. We zijn namelijk allebei niet zo heel goed in nieuwe omgevingen en situaties. Drukte is de boosdoener. Romantisch is het natuurlijk wel, vader en zoon op de fiets naar het voetbal. Beetje strooien met levenslessen. Vroeger hier, vroeger daar. Wist je dat papa dit en papa dat. Je kent dat wel. Henk Spaan zou trots zijn. Maar ik zat er ook een beetje tegen heug en meug en deed een op voorhand onmogelijke poging om enthousiasme na te bootsen. Daar hoort bij het ‘klappen bij potentieel gevaarlijke acties’,  het ‘maken van oewww-geluiden bij nipt gemiste doelpogingen’ en het ‘af en toe opspringen’.

Ondanks dit gespeeld enthousiasme wist ik niet te verhullen dat ik er niks meer mee heb. Terwijl ik op stoeltje 7 van rij 1 zit in een Willem II-shirtje van mijn overburen, zie ik bevestigd dat ik er nooit iets mee had. Die hartstochtelijke devotie, daar zit het ‘m in. Ik wil helemaal geen bloedband met een club. Daarom had ik ook geen clubsjaaltje van FSC. Die 12 kilometer met vrienden fietsen door weer en wind, grappend over de club omdat wij dat mochten. Dát was mijn bloedband. De rest was niks meer dan een puberaal staaltje meelopen.

Dan nog dit. Willem II won na een rukwedstrijd met 1 – 0. Een penalty notabene. De oudste repte op de weg naar huis dat hij het leuk had gevonden. Of het een onvergetelijke herinnering wordt, dat betwijfel ik.

Advertenties

Weet je wat, ik blijf het er gewoon nog even over hebben

Ik lees mijn blogs soms terug. Momenten vergelijken, je kent dat wel. De jaren brengen nieuwe herinneringen en laten de oude tegelijkertijd beetje bij beetje vergelen. Die haal ik dan al lezend weer even op. Gezellig. Kan ik ze meteen hier en daar aanscherpen.

Bijzonder boeiend zijn de blogposts die ik schreef een jaar voordat ik ziek werd. Die periode op de grens van ‘man, wat voel ik me goed’ en het zwarte gat.

Onlangs sprak ik met een oud-collega. Zij verving mij toen ik net was weggevallen bij mijn laatste werkgever. Ik heb gelezen waar je op het laatst aan werkte, zei ze. In die 200 woorden las ik het gevecht dat je voerde. Het maakte me verdrietig.

Niemand vertelde mij dat ik een gevecht voerde. Zeker mijn brein niet. En toch zag iedereen hoe ik vocht. Wel weet ik nog dat ik er niet uitkwam. Die 200 woorden, want meer was het niet. Peanuts zou je denken, mits je brein gezond is. Die 200 woorden waren misschien wel de zwaarst bevochten 8 uur van mijn werkleven. Later werd mij verteld dat ik een opdrachtgever op niet misverstane wijze had geadviseerd om dat persbericht maar zelf te schrijven.

Het sloeg allemaal nergens meer op. Het waren voortekens.

Teruglezend kwam ik ook deze blogpost tegen. Geschreven in 2015, ruim een jaar voordat ik ziek werd. Het was mijn voorpret op een vakantie die ik in mijn eentje zou gaan vieren. Het optimisme spat er vanaf. Lees maar. Ik gebruik zinsnedes als ‘deze jongen’ en ‘naar de sterren staren’. Ik zweef zo hoog dat ik afsluit met ‘Als ik het zo lees wordt het de beste vakantie ooit.’

Dat was een pre-reisstukje. Twee jaar later schreef ik over hoe die reis werkelijk ging. Het werd ‘de meest beroerde vakantie ooit’.

Nu kan ik erom lachen. Hoe ernstig het ook is of was. Want los van de ernst van de operaties, als je niets meer voelt en je brein vertelt je dat er niets aan de hand is, leeft alleen je lijf nog. Mijn geest was dood. Dat geeft meteen aan wat de waarde van een dagboek is of – zoals in mijn geval – een blog over je leven. Het verankert herinneringen. Maar het vertelt mij nog meer, namelijk dat ik het er nog wel een tijdje over blijf hebben.

%d bloggers liken dit: