Heb Het Er Maar Over

doorgaans de waarheid

#nietklaarvoor: deel 2

CB830A47-647F-4577-A0D0-FE47062A4551.jpeg

Het vervolg, zoals afgesproken.

Mijn keuzemiddaggroepje bestaat uit vijf giebelende meiden van groep 7 en zoonlief van groep 6. Ze zijn een beetje zenuwachtig, onwennig. Alleen zoonlief weet wie ik ben.

Hoi, zeg ik. Mijn hand maakt een goedbedoelde zwaaibeweging.
Ik ben Marc en wij gaan samen aan een verhaal werken.

Ik krijg geen antwoord, alleen wat voorzichtige hoofdknikjes en onbeholpen glimlachjes. Rooie wangen.

Hoe heten jullie? zeg ik.

Kinderen van tien in groepsverband wachten niet op elkaar. Zes namen door elkaar klinken als: Liejhbilobanahke.

In mijn houvastscriptje staat dat ik nu moet vragen wie al eens een verhaal heeft geschreven. Alle vingers gaan de lucht in. Liefhebbers, altijd fijn. Opgetogen laat ik ze mijn favoriete jeugdboek zien.

Tot daar loopt alles precies zoals mijn scriptje het belooft.

Oh oh oh, dat verhaal ken ik, Neverending Story roept L. (Althans, ik denk dat ze L. heet.)
Inderdaad, vertel ik. Het Oneindige Verhaal. En in dezelfde adem: Wat vond je ervan?

Mwah, wel leuk. Denk ik. Ik heb eigenlijk alleen de film gezien.
Het boek is beter hoor
, zeg ik. (Dat zeg ik over alle verfilmde boeken. Omdat het nu eenmaal zo is.)

Weten jullie dat een verhaal bijna altijd uit dezelfde onderdelen bestaat? Of bouwstenen, zo kun je ze ook noemen.
Zes paar ogen kijken me aan alsof ik net keihard bewijs dat het wiel rond is.

Wie weet welke onderdelen dat zijn?
Er moet een probleem zijn! zegt G.
Heel goed, wat nog meer?
Begin, midden, einde, roept A.
Dat is de structuur, antwoord ik. Dat is ook belangrijk, maar niet wat ik bedoel.

Ik probeer het zo eenvoudig mogelijk te houden. De fragiele aandacht niet laten verzuipen in de details. De basics, daar kun je al heel veel mee. Net als punk. Twee akkoorden en je hebt een melodietje, drie en je hebt een heus liedje.

Ze noteren het volgende; onderwerp, hoofdpersonage, probleem en oplossing.

Ideeën, roep maar. Alles kan, alles mag. Schaam je niet, stel ik ze gerust.
Iets met tijdreizen, gilt B.
En ja, ja, ja…een meisje van nu in de oude tijd, die van de heksen, vult L. aan.

Tijdreizen. Oké, altijd leuk maar wel best ingewikkeld, antwoord ik.
Wat je als tijdreiziger in het verleden verandert, heeft invloed op het nu. Als schrijver moet je dan wel alles goed op een rijtje hebben. Dan nog de vraag welke tijd? Van nu naar toen, van nu naar de toekomst? Of van de toekomst naar het nu?

We zijn het snel eens. De Middeleeuwen. Daar zijn ze nu mee bezig in de klas.
Schrijf als het even kan over onderwerpen waar je iets vanaf weet, druk ik ze op het hart.
Maak het jezelf niet te moeilijk, zeg ik. Schrijf maar op; we reizen naar de tijd van de brandstapels.
L. schatert over mensen levend verbranden en harten met blote handen uit rompen rukken. Ze speelt het voor. Schattig om een 10-jarige acterend te zien sterven. In de aula van de school. Tijdens de fruitpauze.

Dan hebben we nog een hoofdpersonage nodig, geef ik ze mee.
Och ja. Anders wordt het saai, merkt B. op.
Zonder probleem ook, zeg ik. We hebben nog steeds geen probleem.
Stilte.
Komen we zo op terug.

We besluiten er een meisje van te maken. Een stoere boerendochter, met een heks als moeder. Dat is lekker dubbel. Lachen natuurlijk.
Dus het meisje komt terecht in deze tijd? vraag ik. Hoe verklaren we dat?
Oh, oh, oh wacht! roept G. weer.
Een wetenschapper! Ze wisselen per ongeluk. De wetenschapper experimenteert in het nu zeg maar, dan gaat er opeens iets verkeerd of zo en er ontstaat een soort van tijdwissel. Ze ruilen in de tijd. Of zoiets.

Goed idee, zeg ik. Schrijf maar op.

Pas als ik zie dat ze zitten te dubben en leeg voor zich uit staren, stuur ik bij. Hoe gaat het meisje het probleem oplossen? Hoe komt ze terug? Dat noemen we het plot. Ik zie ze denken. Een probleem verzinnen is één. De oplossing verzinnen is twee, drie, vier en vijf.

Ik heb het! roept G.

Nog niet zeggen! fluister ik geheimzinnig. Dat bewaren we voor volgende week, voor de volgende keuzemiddag. Weet iemand hoe ze dat noemen, dat bewaren?
Een cliffhanger, inderdaad.

Advertenties

Wat nou hof van Eden!

IMG_0105

Een tussendoortje.

Ze bestaan. Mensen die voldoening halen uit tuinieren. Die daar gelukkig van worden. Die lekker in hun eigen wereldje wroeten en na een uurtje of wat trots naar hun Hofje van Eden kijken. Genoegzaam, tevreden.

Ik hoor niet tot deze groep. Ik haat tuinieren. Oprecht. Ik haal er nul voldoening uit. Ik ben van de ‘hey zoek het lekker zelf uit natuur, je doet het al heel lang en met veel succes’. Neem bijvoorbeeld het Amazonegebied. Wat een fantastische zuurstofverschoner is dat! Staaltje biologische innovatie van heb ik jou daar. En – heel belangrijk – daar kwam geen mens aan te pas.

Gaat de mens zich met de tuin van moeder aarde bemoeien dan gaat het mis. Geheid. Ik noem ontbossing. Ik noem erosie. Want wij willen graag tuinmeubelen van tropisch hardhout voor in onze geplaveide tuintjes.

Dus. Wie ben ik om dat allemaal in andere banen te leiden? Tuinieren is een nogal arrogante menselijke houding ten opzichte van de natuur als je het mij vraagt. Ja hoor, hij weet het weer eens beter. Dat dus.

Als ik eerlijk ben heb ik het ook niet altijd goed met de natuur voor gehad. De voortuin van mijn vorige huis bestond uit worteldoek met daarop maaskeien. Nul groen. Dat wordt niet meer geaccepteerd. Slecht voor de afwatering. Dan neemt de natuur wraak. Die zomerse hoosbui eindigt 50 centimeter hoog in je woonkamer. Eigen schuld of die van je buurman.

Tuinieren dus. Maar alleen als het echt moet.

Zoals nu. Ik heb duidelijk de lente in de kop. Nog steeds. Het mos staat op de vloer van onze tuin. Zo’n groenige waas die glad wordt in de regen. Daar moeten we iets aan doen. Of ja, moeten, moeten. Dan is er nog dat gekke boompje in onze tuin die het hele jaar door bladeren verliest. Ook zoiets. Welke boom heeft het hele jaar door herfst?

Die bladeren veeg ik op een hoop. Terwijl ik dat doe prikt een tak van de boom wiens eigen afvallige rotzooi ik bij mekaar veegt in mijn rug.
Knak, weg tak.
Eigen schuld.

Dan de bladeren die ik uit de hoekjes moet peuteren. Ik kan helemaal niet vooroverhangen, dan lopen mijn sinussen vol met snot. En met de bezem krijg ik ze er niet uit. En mijn onderrug is belachelijk stijf. Gevolg: pijn. Dan nog een tip aan mezelf: gebruik werkhandschoenen! Ik word namelijk gestoken door een of ander snertinsect. Omdat ik zijn knusse huisje op een hoop veegde bij de rest van zijn dorp.

Zal je zien dat ik puur uit wraak als eerste Noord-Europeaan gestoken ben door een onlangs door de klimaatwijziging aangevlogen zuid-Europese horzel en ik daarom een deel van mijn hand moet laten amputeren. In het ergste geval mijn hele arm.

Enfin. Klote tuinieren dus. Wilde ik even kwijt.

%d bloggers liken dit: