Heb Het Er Maar Over

Vertelt doorgaans de waarheid

Mòkt dèk niks van oe heur!

 

IMG_0044.jpeg

1991

Dit stukje stamt al uit 2010, geloof ik. Het gevoel dat erachter zit is al veel ouder. Zie foto. Ik herpost het graag. Dat is een beetje lui en – inderdaad – ik heb geen andere stukjes meer op voorraad, maar toch.

Dat zit zo. Niet alle zuiderlingen vieren carnaval. Ik ben zo’n zuiderling. Vooruit, ik ga niet ontkennen dat ik het ooit heb gevierd. Er zijn voldoende bewijzen van. Zie foto. In mijn jonge jaren vierde ik mee, tot aan het gaatje. Zie foto. Hoewel vieren, vieren. Ik deed mee. Zonder ook maar een fluitje van een cent te geven om de historisch-culturele waarde van carnaval, laat staan de religieuze lading. Aan mij niet besteed. Ik dronk totdat ik er – soms letterlijk – bij neerviel, had vervolgens gloeiend veel spijt en beloofde hand op het hart dat nooit meer te doen. Zie foto.

Dat waren niet mijn beste jaren. Zie foto.

Het afscheid dat ik jaren geleden heb genomen van carnaval wordt mij niet altijd in dank afgenomen door andere zuiderlingen. Het roept vraagtekens op. Ik denk omdat het te bedreigend is, in de zin van ‘als één schaap over de dam is houdt carnaval na een paar jaar gewoon op te bestaan’. Want stel je voor dat een weekendje weg leuker is dan drie dagen doen alsof je een sheriff bent, of een dansmarieke of nog erger, een clown.

Mijn grootste probleem in deze kwestie is dat ik veel teveel relativeer. Carnaval relativeren is hetzelfde als een mop uitleggen. In het geval van massavertier zie ik altijd eerder de tragiek van de situatie dan de lol. Zo zag ik twee dagen voor de start een man van middelbare leeftijd die verkleed – als clown nota bene – op een druilerige dag over een anoniem trottoir  door de stad liep. Hij keek naar de grond alsof hij zich schaamde. Alsof hij niets te kiezen had. En dus sjokte hij in zijn eentje met de last van zijn keuze naar ‘iets’ dat feestgedruis beloofde te worden. Hij was Bassie zonder Adriaan.

Ik vond dat treurig. Hij vond het vast doodnormaal.

Jammerlijk vind ik de zatte 40-plusser. Natuurlijk kan het ‘n keertje misgaan. Zie foto. Je drinkt er een, twee of vijftien teveel en je tong klapt dubbel. Dat kan. Zie foto. Maar het jammerlijke van de zatte verklede 40-plusser is dat hij in veel gevallen gaat zeiken over het niet meer hebben van sex en over de tieten van een andere vrouw dan de zijne. Soms wordt hij/zij zelfs racistisch of zij wil je betasten. #metoo inderdaad. Kortom, het wordt ordinair. En waarom? Omdat hij/zij altijd ordinair is, maar dat doorgaans verbergt of omdat hij/zij het alleen met carnaval is? Maar vooral: wat zegt dat over de persoon in kwestie? En moeten we alles maar door de vingers zien ‘omdat het carnaval is’?

Tot zover de treurigheid. Daarnaast word ik altijd een beetje angstig van carnaval. Wat als zoonlief me als een zatte tor over de stoep ziet waggelen omdat papa carnaval pas leuk vindt na 20 bekers bier? Zie foto.  Dat is pas treurig. Nog een angst: onvrijwillige drukte. Nog een: arm om mijn schouder van een gast die ik niet ken en opeens leuk moet vinden omdat zijn dubbele tong mij complimenteert met mijn outfit. Nog een: 200 decibel muziek. En wat voor een muziek. Het lijkt verdomme wel Extrema Outdoor. Nog een: het weer. Nog een: teveel carnavalsangsten. Nog een: clowns.

Omgekeerd vindt de echte carnavaller dit alles hoogstwaarschijnlijk wél leuk. Maar een echte carnavaller relativeert dan ook niet.

R. viert wel carnaval. Die zet haar blauwe pruik op en is onmiddellijk ‘in de stemming’. Vind ik ongelofelijk. Echt waar. Ik zou willen dat ik het zelf kon. Maar feeststemming in mijn geval is niet oproepbaar. Ook niet na tien bier. Zie foto. Feeststemming is geen vast moment op mijn kalender. Feeststemming is geen bittere noodzaak. Is geen sociale verplichting en is zeker geen logisch gevolg van het feit dat ik een zuiderling ben.

Maar hé, trek je van mijn gerelativeer vooral niets aan. Fijne carnaval. Lekker van genieten.

Zie foto.

Advertenties

Het tuinhekje en/in de vijver

490C3B17-E8B0-4D03-B975-175654FB78D6.jpeg

Aan de deur staat ‘de aannemer’.

Zo noemen we hem. Hij is een gedrongen senior die door zijn hoofd een tikkeltje naar achteren te duwen groter lijkt dan hij is. Een fervent roker ook. Secuur als het om z’n Kia gaat. Brommerig van houding doorgaans. Geen kwaaie kerel verder. Geeft de werklui in de straat graag vrijblijvend advies. Vandaar zijn bijnaam. Die adviserende rol geeft hem voldoening. Een doel. Dat neem ik aan, want wat weet ik nou? In elk geval staat hij graag met zijn neus vooraan.

Hij deed het weer hoor, hoor ik opeens in de gang. Met hij bedoelt hij onze oudste. Ze hebben een moeizame relatie die twee. De oudste trekt belletje of maakt een gek dansje bij de aannemer voor het raam, waarop deze een beetje boos wordt en na elke derde keer dat iets voorvalt bij ons aanbelt. Waarop wij de oudste wederom zijn excuses laten gaan maken. Ergo. Ze zitten met z’n tweeën in een vicieus cirkeltje.

Feit is dat de oudste niets doet wat meneertje aannemer ook niet heeft gedaan toen hij nog maar een aannemertje was.

Intussen houd ik me koest op de bank. Als tienjarige haalde ik ook het bloed onder de nagels van dorpsgenoten vandaan. Laat ik dus maar even afstand bewaren, in plaats van begrip faken. Of alles vergoelijken.

Ons – ik was niet alleen – populairste slachtoffer woonde bij de kerk om de hoek en ging gebukt onder een weinig charmante bijnaam. Letterlijk. Daar bovenop had hij een zoon die we niet zo mochten en een familie die in het dorp een soort van twijfelachtige reputatie had. Al vermoed ik wel dat een en ander aangedikt werd door roddel en achterklap. Er woonde ook nog een vrouw in het dorp waar we de voetbal nooit uit de tuin durfden te halen. Ze had veel ballen op het laatst. Ik denk, moet je maar niet naast een voetbalveld gaan wonen. Afijn.

Het was vooral hoe de man die gebukt ging onder zijn bijnaam reageerde, wat ons als kinderen intrigeerde. Te weten: fel. Luchtbuksfel en ‘godverdomme ik sluit je op het schoolplein op’-fel. Vooruit, wij speelden het spel ook niet redelijk. Als D.T. niet had gedaan alsof hij met zijn vingers kogels afvuurde, had de beste man nooit op ons hoeven schieten. En als ik zijn zoon niet met de rolschaats een trap in z’n gezicht had verkocht, had hij me nooit op het schoolplein op hoeven sluiten (hij was de officiële poortwachter van het schoolplein, waarschijnlijk omdat hij ernaast woonde).

Mijn vader leek te begrijpen waarom we stomme fratsen met hem uithaalden en waarschuwde ons voor de consequenties. Dat kon wel eens verkeerd uitpakken, zei hij dan en keek op een manier die onuitgesproken toestemming verried. Het mocht allemaal niet baten.

Op een van onze nachtelijke zwerftochten door het dorp – we waren inmiddels al wat ouder en kampeerden in een weilandje langs de Maas – mikte M. het tuinhekje van het betreffende slachtoffer in de vijver, brak zo de gemetselde bak waardoor het water van de vijver wegsijpelde en de gehele vispopulatie volkomen zinloos kwam te overlijden. Het was dezelfde vijver waar I. jaren daarvoor al een pak wasmiddel in had geleegd.

Toen de beste man na het hekjesincident terecht verhaal kwam halen, hielden wij ons laf schuil in onze tenten. Wij hebben ons naar mijn weten nooit verontschuldigd.

Sorry nog…

%d bloggers liken dit: