Heb Het Er Maar Over

Vertelt doorgaans de waarheid

Categorie: mandarijn

Schrijf altijd alles op

Sinds een jaar of 10 word ik gestalkt door een oude zakagenda. Soms duikt het boekje op in een kast, dan weer in een la, dan weer tussen andere boekjes. Erin kijken doe ik nooit. Ik weet namelijk dat er notities in staan waarvan ik destijds hoopte dat ik er ooit nog iets aan heb. Alleen, om dat zeker te weten moet ik er ooit een keer in kijken. En ontdekken of notities van 10 jaar oud de tijd overleefd hebben. En dat deed ik dus nooit.

Die achtervolging kan overigens twee redenen hebben. Of het boekje moet iets van me óf het wil een punt maken.

Ik vermoed het laatste, want wachtend op een afspraak trof ik het boekje weer aan, deze keer in mijn werktas. En zoals het gezegde zegt; wie wacht die bladert. En dus bladerde ik voor het eerst sinds 10 jaar door het boekje. Het meeste van wat ik las wist ik al of nog. In april las ik notities over een vakantie op Vlieland, er stond een lijstje met mogelijk te kopen albums in juni. Wat onduidelijke afspraken. Onleesbare dingen uit 2010.

Maar ik las ook het volgende:

SCAN ZIEKENHUIS LATEN INPLANNEN VIA AFDELING NEUROCHIRURGIE

Er stond een stoel dus ben ik er maar even bij gaan zitten. Die controleafspraak – want daar ging het om – die ik op 1 augustus in het boekje noteerde heb ik namelijk nooit gemaakt. Het betrof de zoveelste controlescan na mijn schedeloperatie operatie uit 2000 en ik was klaar mee die jaarlijkse controles. Alles was altijd goed geweest. Bovendien, hoefde het eigenlijk maar 5 jaar. Dus tja.

Naïef! Ik hoor het je denken.
Arrogant! Inderdaad.

Zeg maar gerust dom, achteraf.

Want in 2016 was het pas echt raak. Ik zal het waarschijnlijk nooit 100% zeker weten, maar de kans dat er sinds 2010 en dus al eerder ergens in mijn hoofd nog iets woekerde, is gewoon pijnlijk aanwezig.

Actie-reactie. Ik geloof erin. Elke keuze die je maakt heeft gevolgen. Mijn keuze uit 2010 kan er zomaar toe hebben geleid dat ik nu wel de rest van mijn leven jaarlijks moet worden gecheckt. Ironie, inderdaad. Ook daar ben ik fan van. De vraag of dit alles achteraf voorkomen had kunnen worden, is niet zo heel belangrijk. Wellicht had het een zware operatie kunnen voorkomen en dus de infectie. Een zure constatering, maar ook dat is een achterafje.

Had ik die dag gewoon maar gedaan wat ik mezelf – met een rode pen notabene – in mijn agenda had opgedragen te doen. Had. Achteraf. Ik was stronteigenwijs, wist het beter, moest verder. Dat is gelukt en dus klapte ik in 2016 frontaal tegen de muur en vervolgens er doorheen. Als je dit blog in die periode volgde heb je het van redelijk dichtbij mee mogen maken.

Inmiddels wandelde mijn werkafspraak de kamer in, stelde zich vriendelijk voor en vroeg hoe het me was. Goed, zei ik. (Wat niet helemaal klopte. Ik bedoel, ik kan de beste man moeilijk mijn tumorverhaal in de maag splitsen. We kennen elkaar niet eens.)
Ik hoop dat jij alles van schadeafhandeling weet, zei ik lacherig.
Hij glimlachte; ja hoor, komt zeker goed.

Ik stelde mijn vragen en schreef de antwoorden op voor een artikel waar ik aan werkte. Mijn brein bevond zich al op twee plekken tegelijk. Mijn ratio bij het gesprek, mijn emotie in het boekje – dat overigens nog steeds in mijn werktas zit. Daar laat ik het ook, als een reminder aan mezelf: SCHRIJF.ALTIJD.ALLES.OP.

En – vooral – handel ernaar.

De jaarlijks terugkerende scheisse


Lopen door de gangen van een doodstil ziekenhuis is een adembenemende ervaring. De stilte, de leegte, het klopt niet. Een ziekenhuis zonder zichtbaar aanwezige mensen schept verwarring. Het is alsof er iets verschrikkelijks is misgegaan. Elke stap die ik zet hoor ik twee keer terug in de leegte. In mijn gedachten wandel ik zielsalleen naar mijn eindoordeel, aan het einde van de gang. Mijn gang. In werkelijkheid volg ik route 72 en ben ik op weg naar de afdeling Radiologie waar ik om 09.25 uur verwacht wordt voor mijn jaarlijkse MRI-controlescan.

Laat ik het maar niet een jaarlijks terugkerend hoogtepunt noemen. De controle is iets waar ik 363 dagen per jaar niet mee bezig ben. En vervolgens twee dagen heel erg. An sich zijn die twee dagen geen verkeerde dagen, hun intentie is goed. Wat mijn kop er vervolgens mee doet en van denkt is een ander verhaal.

Misschien komt het omdat mijn brein er jaarlijks een beetje van in de war raakt. Het ritueel van mijn brein. Het ene moment gaat het fluitend door het leven, zichzelf opbeurend met de zelfverzonnen – overigens uiterst naïeve – theorie dat de 1,5 jaar culminatie van de shit die achter de rug ligt, het een vrijkaartje voor de rest van het leven heeft gegeven. Het ‘ga direct door naar start’-kaartje. Plus, en dat weegt waarschijnlijk zwaarder, mijn brein doet een weergaloze struisvogelimpressie.

Logisch, want in mijn hoofd krioelt letterlijk een wereld waar ik nauwelijks iets van begrijp. Er worden op nanoniveau besluiten genomen waar ik niet bij betrokken ben. Daarmee ligt het lot van mijn hoofd in de handen van het geluk, pech en de beslissingen die medisch specialisten nemen. Dat plus de consequenties. Je zou van minder in de war raken.

Dit jaar heeft corona mijn jaarlijkse controle een maand of twee vooruitgeschoven. De scan zelf stelt trouwens niks voor. Ik bedoel, ik lig een minuut of 20 minuten in een ontzettend prijzige buis. Een prikje voor de contrastvloeistof. Beetje magnetische resonantie-herrie. (Ik zweer het, er zit een scan-serie in die klinkt als een Nine Inch Nails sample.) Big deal.

De scan is deel 1. Deel 2 is de uitslag en dat is mentaal totaal andere koek. Zoals ik al zei, de kop denkt wat hij wil. En langs de vele alledaagse gedachten die erin huizen, kluwen zich ook doembeelden naar de voorgrond. Dan word ik stikchagrijnig. Onvriendelijk. Dwars. Want, wat als? Zodra dat gebeurt zoek ik afleiding die ik nooit vind, niet in mijn werk, niet bij mijn kinderen. Wat rest is gaar koken in mijn eigen sop.

De maandag na de zaterdag is het wachten op het telefoontje van de behandelend arts.
‘Anoniem’, lees ik op het scherm. In mijn hoofd zie ik de nachtmerrie van een nieuwe ziekenhuisopname. De schedelplaat die er weer uit moet. Het herstellen. De kans op infecties. Die godsgruwelijke allesverzengende ellende.

Hoe gaat het met u. (Mijn arts noemt me weer u, nadat hij heel lang jij zei. Zou dat trouwens iets betekenen?)
Goed, zeg ik.
De scan ziet er goed uit meneer Lochs. (We schelen hooguit een jaar schat ik.) Ik zie geen veranderingen vergeleken met vorig jaar, vervolgt hij.
Ik zucht diep uit en zeg; dat is fijn om te horen.

Hij zegt vervolgens iets over ‘een beetje vocht’ terwijl ik onhandig switch naar speaker, omdat R. ook meeluistert. Ik onthoud namelijk nauwelijks wat er gezegd wordt op zo’n moment. Mijn brein focust tijdens artsgesprekken louter op de conclusie. Na ‘goed’ schakel ik af.

Feit is dat er nog twee piepkleine tumorrestjes in mijn hoofd zitten. Dat is geen nieuws, dat weten we. En die doen geen vlieg kwaad in hun huidige toestand. De spanning die mij plaagt komt uit de wat als ze wel van toestand veranderen. Maar dan nog, een meningeoom groeit doorgaans tergend langzaam (het is de luiaard van de tumorenwereld) en is bijna altijd goedaardig.

En toch, de consequenties zijn – althans in mijn geval – beide keren behoorlijk impactvol geweest. To say the least. We hebben deze scheisse in al zijn glorie meegemaakt. In 2000 en opnieuw in 2016, plus nog een voorhoofdverwijderend kersje op de schedeldaktaart.

Dat vergeet je niet. En ja de jaarlijkse controle is er vooral om deze scheisse te voorkomen, daar houd ik me aan vast. Nu alleen nog iets verzinnen om die verdomde spanning elk jaar een beetje te temmen.

%d bloggers liken dit: