Heb Het Er Maar Over

Vertelt doorgaans de waarheid

Categorie: kids

De simkaart en de pleister

Na veel wikken en wegen onzerzijds, voortdurend onderhandelen en hem tenslotte laten bewijzen dat hij een simkaart verdient, landde de oudste onlangs succesvol op Mars. Zo voelt het namelijk als je als pre-volwassene eindelijk je simkaart krijgt.

De oudste heeft min of meer laten zien dat hij de maandelijkse MB’s niet in een halve dag erdoorheen jaagt. Overigens zou dat eigenlijk niet eens moeten kunnen, aangezien zijn beeldschermlimiet – een keiharde afspraak – op 60 minuten per dag staat.

Afijn. Het duurde dus even voordat die sim er definitief was. Sterker nog, het duurde zólang dat hij de laatste van de klas is. Raar fenomeen is het toch. Kinderen die elkaar de hele op school zien, moeten blijkbaar ook na school gepresenteerd worden met elkaars aanwezigheid. Om het allemaal wat makkelijker te maken is door de klas een speciale whatsappgroep gestart. Doller nog, voor elke individuele buitenschoolse activiteit wordt gewoon een nieuwe appgroep gestart. Na twee weken simkaart is meneer lid van – grove schatting – acht appgroepen.

Bij voorbaat kansloos dus, al die beeldschermafspraken die we maken. Want kinderbrein.

De ware reden waarom wij een sim-abonnement toestaan is in feite tweeledig. A. Zijn mobiele bereikbaarheid (kom ik op terug) en B. letterlijk meer speelruimte voor zijn Pokemon Go-avonturen. Voordeel van Pokemon Go is dat hij lekker bezig is en veel wandelt. En daar is natuurlijk niks mis mee.

Maar het sim-abonnement staat voor zóveel meer. Het is ook die kier van de deur naar volwassenheid. En die zwaait steeds verder open. De oudste weekt zich steeds meer van ons los. Het leven zoals het is, pelt de pleister tergend langzaam van onze huid. Dat doet alleen ons pijn, hij heeft er ogenschijnlijk geen last van. Ik vrees dat het zo hoort te zijn.

En dus whatsappt hij ‘stickers’ met klasgenoten en grijpen wij in als er klasgeroddel dreigt te ontstaan of als kinderen  uit de groep dreigen te vallen. Ik kan me namelijk goed voorstellen dat de leerkrachten geen energie en tijd hebben om zich ook nog eens druk te gaan maken over whatsappende pre-pubers die OMG vilein zijn als het erop aankomt. Ook dat hoort allemaal bij het proces.

Nu iedereen in de klas een simkaart heeft, is voornoemde deur klaar voor de volgende zwaai. Het eerste avondverjaardagsfeestje van een klasgenoot en iedereen van groep 8 is uitgenodigd. Duur: Van 19.00 uur tot 22.00 uur. Wanneer: Vrijdagavond. Gevolg: Appjes over make-up dragen ja/nee. Welke kleren trek jij aan? Ben jij ook al 11 jaar?

Full disclosure; die laatste vraag heb ik verzonnen.

Op de dag van het feestje zwaait de deur naar het grotemensenbestaan nog een stukje verder open. Groep 8 gaan namelijk zelfstandig naar de bioscoop. Ook dat nog. Op hun fietsjes, mobieltjes in de rugzak. En weer die appjes. Deze keer over snoep. Zo laten we vanzelf los. Dat kind waar je aanvankelijk elke vezel van kende, verandert in iets waar je oren van flapperen en je ogen van bollen.

We maken afspraken. Ons rest alleen de illusie van de afspraak. Kijk ik naar mezelf als kind dan weet ik dat een afspraak niet per se hoeft te betekenen dat deze ook nagekomen wordt. Al verschillen de oudste en ik wat betreft transparant en eerlijk zijn behoorlijk. Hij is een verteller, ik was een zwijger.

De naieve hoop dat ons kind precies dat zou blijven, een kind, wordt door datzelfde kind genadeloos onderuit getrokken. Die deur die het leven openzet maakt nieuwsgierig, maar de gevoelige kinderziel maakt ook kwetsbaar. Al die onzekerheden die aan hem zullen gaan knagen. De twijfels. De scenario’s van wat in de basis een eenvoudig uitstapje naar de bioscoop is, is in werkelijkheid een tocht met ontelbare variabelen en hindernissen. Ik was daar als kind ook niet goed in. Mijn hoofd bood geen ruimte voor onverwachte aanpassingen van plannen zoals ik ze al tig keer in mijn hoofd had ontvouwen. Ondanks dat allemaal glipt hij door de kier en doet hij het, dapper als hij is.

Hij overwint zichzelf elke keer weer. Ook dat hoort zo. Van al die kleine overwinningen hopen wij dat elke keer een restje blijft hangen, voor later. De deur naar later staat steeds verder open. En alles wat wij voor hem vrezen wacht hem wel degelijk aan de andere kant op, handenwrijvend. Het sijpelt onomwonden en zonder garanties naar binnen. Wat hij aantreft zal hem soms kansloos laten, maar vaker nog omhoogtillen tot grote hoogte. 

Dat kwetsbare mannetje wringt zich beetje bij beetje los. Die pleister ruk je niet in een keer van je huid. Die pel je beetje bij beetje af. Beter voor onszelf en voor hem. En als de pleister eraf is, stapt hij een wereld in waar ook wij ooit onzeker als we waren instapten en de kinderen in ons kwijtraakten. Behalve onze eigen kinderen, kregen we daar niets beters voor terug.

Advertenties

Rukwedstrijd

De laatste keer dat ondergetekende een voetbalstadion bezocht was tijdens een bekerfinale in de Kuip. Dat was in 1999. Ajax (lees Grönkjaer en Witsche) veegde Fortuna Sittard van de mat en ik vond de tribune veel te steil.

Dat was toen, dit is nu; twee halfbakken mogelijk geïnteresseerden met vrijkaartjes in een stadion waar ze het eigenlijk veel te druk vinden, kijkend naar voetballers waar ze nog nooit van hebben gehoord.

Ooit was ik seizoenskaarthouder van FSC, zoals Fortuna Sittard ook wel eens wordt toegezongen. Klinkt natuurlijk ook veel Premiershipachtiger. Mooie plek hoor, de oude Baandert. Of mooi, mooi. Ouderwetserig sfeervol, laat ik het maar zo omschrijven. Als ik een seizoen geen kaart had, kreeg ik die van mijn buurjongen te leen. Hij speelde in de jeugd van Fortuna (later nog in de selectie) maar ging alleen als ze tegen Ajax speelden.

Op speeldagen verzamelden we voor de kerk in het dorp en fietsten we de 12 kilometer door weer en wind naar de Baandert om Fortuna te zien stuntelen. Meestal dan toch. De Baandert was ook de plek waar Utrechtfans ons bekogelden met vuurwerk en waar ik voor mijn leven rende, op de hielen gezeten door Ajaxfans. En ik droeg niet eens het clubsjaaltje!

De stadions van nu noemen we voetbaltempels. Ze zijn het resultaat van de megalomane ambities, geboren in de hoofden van over het paard getilde bestuursvoorzitters en schijtverwende sjeiks en Russen die Nederlandse voetbalclubjes cadeau krijgen van hun puissant rijke papa’s en mama’s. In die tempels – elk provinciestadje heeft er een – kijken we naar godenzonen. Persoonlijk keek ik liever naar boerenpummels en schoffelaren. Wat dat betreft zat je in de Baandert prima op je plek.

Afijn. De oudste had dus vrijkaartjes voor Willem II. Die kaartjes moesten alleen nog even online gevalideerd worden. Wat voor de kerk geldt, klopt ook voor voetbal. Lekker vroeg in masseren, dan heb je ze voor altijd te pakken, die kids.

Voetbalclubwebsites laten nogal eens wat te wensen over, vooral als je tickets wilt bestellen. Zo bestelde ik kaartjes voor stoeltjes lekker hoog bovenin het vak, dacht ik. Bij binnenkomst bleek het om stoeltjes helemaal onderin op ooghoogte te gaan. En dat – beste lezers – is bepaald niet eerste rang.

Dat sommige clubs niet teveel aan hun digitale aanwezigheid willen investeren snap ik. Die 50.000 euro kan net zo makkelijk het jaarsalaris voor die ene talentvolle 17-jarige aanvallende middenvelder. Het antwoord op de vraag ‘een nieuwe website of een nieuwe Frenkie de Jong?’ is daarmee gegeven.

De kaartbestelwebsite van Willem 2 is dus een beetje ruk. Ironisch in deze is dat ik ooit intensief betrokken was bij het conceptueel bedenken van de site van…inderdaad Fortuna Sittard. Zag er gelikt uit hoor toen. Heel erg Amerikaanse sportclubachtig. Het was de tijd van de flashintro’s. Dan weet je het wel.

Na de kansloze bekerfinale 1999 is de wedstrijdbezoeker in mij afgehaakt. Het sudderde al een tijdje, de afkeer. Niet tegen het spel of de club. Mijn walging had te maken met wat ‘clubliefde’ doet met een mens. De druppel was een man die pal naast mij op de noordtribune van de Baandert de scheidsrechter uitmaakte voor vuile k*nkerh*m*. Naast hem stond zijn 9-jarig zoontje. Mag jij eens raden wat die schreeuwde.

Zodra k*nker verandert van zelfstandig naamwoord in bijvoeglijk naamwoord valt de nacht. Voor mij houdt het dan op. Je mag als supporter gerust boos zijn. Maar als je jouw wekelijkse frustraties zodanig opkropt dat ze in een zin passen – of erger nog; in één woord – dan weet je het wel. Het was zo erg dat ik me ter plekke voornam om NOOIT met mijn mogelijke kinderen een voetbalwedstrijd te bezoeken.

Daal ik nog verder af in de annalen van de clubliefde dan kom ik uit bij mijn ‘ouwe cluppie’. Zo noemen ze dat bij dat kleedkamerhumorvoetbalpraatprogramma op de alleen voor mannen zender. Dat cluppie heet RKVV Havantia, in het vermaarde vierde elftal om precies te zijn. We speelden destijds een verdieping lager dan de kelder van de vierde klasse onderafdeling. Een middelbejaarde man schoffelde mij laf van achteren neer. De bal sprong zoals altijd heel ver van mijn voet, dus het excuus ‘ik ging voor de bal’ ging in deze niet op. In zijn actie zat dezelfde frustratie als de schreeuwende vader. Voetbal doet dat. Ik vroeg hem of hij zijn kutweken altijd zo verwerkte of dat het moest van zijn vrouw, hoefde hij het thuis niet te doen.

Het kan nog erger. In Italië maken sommige supportersgroepen apengeluiden om de tegenstander ‘te ontregelen’. Dat is geen racisme zeggen ze, dat zien we verkeerd. Laat ik dit herhalen, ik moest het ook twee keer lezen: In Italië maken sommige supportersgroepen apengeluiden om de tegenstander ‘te ontregelen’. Dat is geen racisme zeggen ze, dat zien we verkeerd.

Terug naar Willem II, waar de Kingside aangevoerd door een heuse ‘capo dei tifosi’ (heb ik opgezocht, moet je ook doen) het stadion zelfs tijdens een bloedeloze wedstrijd in vuur en vlam zet. Grappig om te zien hoe de fans van de tegenstander in het naburige vak braaf afstand bewaarden.

En dan opeens is het match of the day dag. Beiden hadden we last van een lichte pre-wedstrijdspanning. We zijn namelijk allebei niet zo heel goed in nieuwe omgevingen en situaties. Drukte is de boosdoener. Romantisch is het natuurlijk wel, vader en zoon op de fiets naar het voetbal. Beetje strooien met levenslessen. Vroeger hier, vroeger daar. Wist je dat papa dit en papa dat. Je kent dat wel. Henk Spaan zou trots zijn. Maar ik zat er ook een beetje tegen heug en meug en deed een op voorhand onmogelijke poging om enthousiasme na te bootsen. Daar hoort bij het ‘klappen bij potentieel gevaarlijke acties’,  het ‘maken van oewww-geluiden bij nipt gemiste doelpogingen’ en het ‘af en toe opspringen’.

Ondanks dit gespeeld enthousiasme wist ik niet te verhullen dat ik er niks meer mee heb. Terwijl ik op stoeltje 7 van rij 1 zit in een Willem II-shirtje van mijn overburen, zie ik bevestigd dat ik er nooit iets mee had. Die hartstochtelijke devotie, daar zit het ‘m in. Ik wil helemaal geen bloedband met een club. Daarom had ik ook geen clubsjaaltje van FSC. Die 12 kilometer met vrienden fietsen door weer en wind, grappend over de club omdat wij dat mochten. Dát was mijn bloedband. De rest was niks meer dan een puberaal staaltje meelopen.

Dan nog dit. Willem II won na een rukwedstrijd met 1 – 0. Een penalty notabene. De oudste repte op de weg naar huis dat hij het leuk had gevonden. Of het een onvergetelijke herinnering wordt, dat betwijfel ik.

%d bloggers liken dit: