Achterdeboomplasser


Lang geleden was ik een echte buitenplasser. Buiten plassen is een zijn met de natuur, want de natuur staat je toe om erin te plassen. Respect dus en hier, een boks. Ik was dus géén portiekplasser, begrijp me niet verkeerd. Al durf ik dat niet 100% te ontkennen in verband met de vele alcoholgerelateerde zwarte gaten in mijn herinneringen. Een politieagent hield me ooit aan toen ik na een stapavond tegen een conifeer stond te plassen. Een conifeer hè, geen voordeur!

Ik vertelde de agent het verhaal van mijn vader die na een fietstocht wel eens dringend moest plassen. Hij had er een boom voor in de achtertuin staan.
Hij is zelf ook politieagent, zei ik nog ter aanvulling.
Misschien kent u hem en noemde mijn vaders’ naam.
Hij kende mijn vader niet.
Beste verzinsel ooit, mopperde de politieagent en liet me gaan met een waarschuwing.

Alleen, was het geen verzinsel.

Wat ik wil zeggen is dat ik afstam van achterdeboomplassers. Tijdens de lange wandelingen die ik als kind met mijn vader en opa maakte – in doorgaans toiletloze gebieden – hadden we alleen bomen en struiken die, zodra de drang zich opdrong, uitnodigden tot een geruststellende lange plas.

Nog een anekdote, omdat anekdotes zo leuk zijn. In ’93 bezocht ik met drie vrienden NYC. Twee vrienden moesten ontzettend plassen en doken een of andere kelderkroeg in. Toen we na pak ‘m beet een kwartier gingen kijken waar ze bleven, zaten ze aan de bar met een Duits importbiertje. Lees hoofdprijsbier. De twee lowbudgettoeristen moesten een drankje bestellen, anders werd er niet geplast.

Albert en Einstein bestelden vervolgens een flesje Becks waar ze met pijn in de pens van de kosten heerlijk lang van zaten te genieten. Tijdens die reis hebben we ook nog illegaal in een of andere slecht verlichte steeg geplast, wetende dat openbaar urineren in de VS door de lokale autoriteiten niet bepaald begripvol wordt opgelost. Het ‘mijn vader plast ook wel eens tegen een boom’-verhaal zou bij voorbaat kansloos zijn geweest.

Afijn, ik wil het eigenlijk over het volgende hebben. Onlangs toerden we met onze jarige dochter (10) langs de familieleden. Coronaveilig hè. Aangezien we met z’n vieren ‘eigenlijk nergens naar binnen mochten’ (winkwink) kwam ik aan het einde van de rit urineertechnisch toch een beetje in de knel. Ternauwernood is een woord dat ik in deze context prima vind passen.

Urineertechnisch verandert er sowieso een hoop nu alle spijs- en drankgelegenheden dicht zijn en daarmee dus ook de openbare toiletten. We wandelen inmiddels massaal en gezien de waterkoude omstandigheden waarin een en ander plaatsvindt, is het niet raar als je blaas elke 30 minuten weer op de deur van je brein klopt.

Alleen, waar in hemelsnaam moet je plassen als alles potdicht is? Buiten dus. Zoals gezegd, vroeger plaste je burgerlijk ongehoorzaam tegen een boom of achter een struik. Dat was toen. Het bos nu is tjokvol mensen en dan wordt het al snel gênant.

Op de schaal van de grote dingen des levens is het niet kunnen plassen nogal triviaal. Aan de andere kant, het ‘wat-moet-in-het-leven-lijstje’ bestaat uit maar drie onderwerpen, te weten plassen, poepen en sterven. In die zin is het dus allesbehalve triviaal. En daar hoor ik dus niemand over. Waar ik wel over hoor zijn farmaceuten die hun afspraken niet nakomen en politici die hún afspraken niet nakomen. Ik hoor over besmettingscijfers. Lockdowns. Avondklok. Rellen. Genoeg belangrijke zaken om je druk over te maken.

Maar dat doe je niet.
Niet als je blaas in je nekt klopt en je bang bent dat je jezelf onder pist.
Of nog erger, je broek vol kakt.