Razendvaag dit

door Marc

Meestal wacht ik heel lang voordat ik start met schrijven. Dat wachten heeft een functie, kom ik zo op terug. Denk nu niet dat ik niet werk omdat en terwijl ik het schrijven uitstel. Wachten is hangend op de bank door de voorruit naar buiten staren, af en toe wat prullige ideetjes in mijn mobiel tikken, een kop koffie drinken, door het huis struinen.

Dat is gewoon een onderdeel van mijn werk. Fysiek stelt dat natuurlijk geen ruk voor. Ik krijg er geen spierpijn van, om maar wat te noemen. Mijn brein daarentegen werkt zich een slag in de rondte. De aanstaande opdracht zit namelijk al pre-frontaal in mijn kop.

‘Verzin iets leuks met pre-frontaal erin!?’, tik ik in mijn mobiel.

Uitstellen kan alleen als er een deadline is. Een opleverdatum. Een afspraak. En die nadert altijd sneller dan het verstrijken van de tijd doet vermoeden. Hoe langer ik wacht, hoe nijpender het wordt. Tegelijkertijd probeer ik een soort van planning bij te houden, maar zoals iedereen die professioneel creatief is weet, dat laat zich niet zomaar plannen. Je kunt je creativiteit hooguit met wat fratsen aanzwengelen. In mijn geval zwengel ik aan met uitstel en koffie drinken.

Die tijdsdruk zoek ik bewust op. Eigenlijk kwel ik mezelf. En die kwelling creëert een spanningsveld waarin mijn brein klaarblijkelijk meer zijn best doet dan als ik het in de watten leg. Is het brein klaar met voorwerken, dan krijg ik een signaal en ga ik schrijven. Dat is natuurlijk allemaal razendvaag en onfactureerbaar.

‘Breintje loopt als een treintje’, tik ik in mijn mobiel.

Immers, leg dit proces maar eens uit aan iemand die elke minuut van zijn werkdag moet kunnen verantwoorden. Op feestjes en partijtjes rep ik liever niet dat 60% van mijn werk bestaat uit rust, wandelen, afstand nemen, niks doen. Omdat het wonderen doet voor mijn creativiteit. Logischer kan ik het niet maken. Je creëert er hyperfocus mee, waardoor je brein alle ruimte heeft om te doen waar het voor gemaakt is. Problemen oplossen! Mijn probleem is de tekst voorhanden en als ik té lang wacht is de deadline mijn probleem. Wacht ik nog langer dan is een teleurgestelde en hoogstwaarschijnlijk geïrriteerde opdrachtgever mijn probleem.

Terwijl dit stukje in mijn brein broeit, tuur ik naar buiten waar een team mannen een sleuf in de stoep graaft. Ze leggen een glasvezelnet aan in de wijk. Kloppen deze mannen één klinker verkeerd terug in de stoep dan krijgen ze Nettie van de overkant op hun dak. Ze worden voortdurend op de vingers gekeken. Fysiek en mentaal is dat best uitputtend, vul ik even in. Nog los van die fikkende zon in je nek, voor een mager uurloon. Dat dus, plus Nettie.

‘Op de vingers kijken’, tik ik in mijn mobiel.

Ik staar naar de zwoegende arbeiders en krijg daarvoor betaald. Daar komt het – ultrakort door de bocht – op neer. Over een dergelijke oneerlijkheid is het vervelend nadenken. Goeie kans dat zij helemaal niks snappen van mijn staren en ogenschijnlijke niks doen. Snap ik want het is netjes afgebakend. Je stapt niet over naar het andere kamp, niet zomaar. De evolutie heeft dat namelijk prima voor mekaar.

Het zou leuk zijn als opleidingen ook daarop filteren. Dát is een aanpakker en dát is een denker. De aanpakker zet je aan het werk, de denker zet je in een muisstille ruimte en geeft hem/haar een probleem. En go! Jammer is wel dat sleuven graven en stoeptegels leggen nooit stil gebeurt en dat aanpakkers niet met elkaar fluisteren. Maar verder doen zij en ik waar we goed in zijn.

‘DEZE KEER GEEN CORONA’, tik ik in mijn mobiel, sluit af en rammel dit stukje tekst er in 15 minuten uit.