Het shirt dat iedereen past

door Marc

Dit stukje gaat NIET over corona. Dit stukje gaat over t-shirts. Een persoonlijke shirthistorie in vier overzichtelijke stappen. (Als je heel veel tijd hebt, check dan ook de linkjes; lachen.)

Fase 1. De tourshirts. Van circa 1986 tot circa 1998.

Je moest de muziek goed vinden, er moest een verlangen naar zijn. Daar begint het altijd mee, met fan zijn. Logisch natuurlijk. En ik was bezeten. Al mijn geld ging eraan op. Elke cent.

Onze uitvalbasis heette hardrockcafé De Schuur aan de Rijksweg in Geleen (later omgeturnd in een terrarium). De Schuur was de enige plek in de regio waar je op zaterdagavond ongegeneerd aan de bar kon headbangen op Slayer. De eigenaar – Peter heette hij – regelde bussen als de grote metalnamen Nederland aandeden. Je kocht dan een kaartje via hem. Niet zelden vertrokken de bussen op zondagochtend. De stoep voor zijn deur bezaaid met kratten bier en gasten die eruit zagen alsof ze onder een brug sliepen.

S. was onze scout. Hij spotte de bussen. Draaide de bus in de verte de hoek om, sprintte hij met twee kratten bier de drukke Rijksweg over en rende de bus tegemoet, terwijl wij lui ons glas op het gemak leegdronken en vervolgens de Rijksweg over struinden op weg naar de door S. bezette plekken achterin de bus. Goeie deal. Eenmaal op weg naar legendarische zalen als de Groenoordhallen in Leiden en de IJsselhal in Zwolle stond de bus meestal al na 10 km stil bij het tankstation vlakbij Susteren, omdat iedereen in de bus genadeloos moest pissen. Even voor de beeldvorming: 50 plakkerige, dronken gasten pissend op een rij langs een maisveld.

We waren nog jong, onbezonnen en dom.

Tuurlijk ging het vooral om de muziek. Maar net zo goed ging het over ‘de merchandise’. Het zwarte goud. De trofee na een avond erg jong zijn. De ‘ja ik houd van metal, nou en?’. In talloze rijen hebben we gestaan, verlangend naar de geur van een nieuw vers gezeefdrukt shirtje. De keuzestress, maar ook balen als er niks op de borden hing.

Carcass, Heerlen 1990

Thuis op zolder, netjes opgeborgen achter de knieschotten staan twee kisten vol met shirts. De bier- en zweetvlekken er nog in. De prints vaal, met opschriften als European Massacre Tour 1988 of Dutch Dissection 1990 plus een trits plaatsnamen en data. Als ik de kist open – wat ik soms doe – ruik ik de avonden en de stank van alcohol en nicotine. Dan beleef ik de busritten opnieuw. Zie ik beelden van rondvliegende lijven, bloedneuzen en blauwe plekken. How sweet these memories are. Wie mij nu kent, maar mijn vroegere ik niet, zal zich na het lezen van deze anekdotes achter zijn oren krabben.

Fase 2. Onze eigen band(shirt). Circa 1990.

Onze eigen band was natuurlijk onoverkomelijk. Niet dat we enig idee hadden hoe dat moest. Akkoorden, haha. Onze liedjes waren losse noten gespeeld door 10 watt transistorversterkertjes die klonken als krekels. We speelden death metal met een punk-attitude. Niemand speelde een instrument, dat was de punk-attitude. Sterker nog, we hadden niet eens een drumstel. En omdat ik als laatste bij de band kwam, was alleen de drumkruk over. Om een drumstel te kunnen bekostigen lieten we shirts drukken. Je had een band, dus ook een bandshirt.

Ik tekende een voorkant én een achterkant. Met logo, want zo ging dat. Elk project en elke band en elk idee tot een band, kreeg eerst een naam en een logo. Het was de goedkoopste en leukste jongensdroom die je maar kon hebben. De shirts lieten we drukken in Grevenbicht – geloof ik. We haalden ze samen op, de hele band in een autootje.

Auw Mük, Meers 1990

In totaal verkochten we 100 shirts. Ik meen voor 20 gulden per stuk. Maar daar kreeg je wel een backprint voor, die waren altijd iets duurder. Dat was genoeg om een tweedehandsdrumstelletje te kopen, dat ik voor elke repetitie naar de garage sleepte van mijn buurjongen/tevens gitarist. Afijn. Lang verhaal kort. 100 shirts, één demo, één optreden en heel veel herinneringen.

Fase 3. Besteld en verkocht op internet(shirts). Van circa 1998 tot nu.

En toen kwam internet. Lang verhaal kort; optredens die ik miste, maakte ik goed met een shirtje. En toen ik ontdekte dat ik nogal wat – ongedragen – pareltjes in de kist had liggen waar andere fanaten grif voor wilden betalen, heb ik gedaan wat ik nooit zou doen; ik verkocht 4 shirtjes. Opbrengst; 1000 euro. Nu jij weer. Ik heb er al eerder over geschreven.

Fase 4. Een puik verhaal(shirt). Circa 2020.

En toen kwam corona, over een wereldtoernee gesproken. Inmiddels weet ik waar al die tourshirtverhalen naar leidden. Naar de Kapitein Hatterastraat in Tilburg. Daar ligt namelijk De Zeefdrukfabriek. Gisteren kreeg ik het mailtje. “Ze liggen klaar!”, stond erin. Met uitroepteken. De allereerste vier Puik Verhaal t-shirts, voor het hele gezin. Zonder tourdata, want ik tour niet. Wel met mijn telefoonnummer erop. Tets. Gewoon vol in beeld en zonder huisstijl. Die punk-attitude zit er toch nog een beetje in vrees ik. Alles resumerend is het gewoon een billboard dat je aantrekt, dat is het.

Puik Verhaal, Tilburg 2020

En eerlijk is eerlijk, ik heb me een beetje laten inspireren door een shirt van Conor Oberst dat thuis in de kast ligt. En ja het ruikt net zo gezeefddrukt als mijn gouwe ouwe tourshirts uit de tijd van das wahr einmahl. Het ‘shirt’ in zijn naakte essentie is een rode draad in mijn leven gebleken. Een anker. Het is een mooie herinnering die ik letterlijk aantrek en koester. Waarmee ik verhaaltjes vertel die – net als mijn tatoeages overigens – zelf weer kleine verhalen zijn. Ook als dat verhaaltje misschien een vorm van schaamteloze zelfpromotie is. Ik bedoel, kan mij wat.