Hallo buren! Mijn naam is Marc en ik woon op nummer 6

door Marc

Over mijn buren schrijf ik niet vaak. Niet dat er niets leuks van te maken valt, maar observaties behoeven niet per se een nadere kennismaking met de realiteit. Ik vrees zelfs dat de leukste blogposts niet geschreven zijn omdat ik de buurt liever een beetje uit het daglicht houd, als je begrijpt wat ik bedoel. Te ‘vriend’ houden is een andere manier van zeggen dat ik liever vanuit enige anonimiteit observeer. De volgende wijsheid tikt me namelijk geregeld op mijn arm: Beter een goede buur dan een verre vriend.

De buren dus, voor deze ene keer. En wel hierom.

De straat viert vandaag een ouderwets straatfeest. Ik snap de bedoeling van het concept. Stad. Buren. Geregeld nieuwe bewoners. Drukdruk. Hoe goed kennen we elkaar nou eigenlijk? We zeggen hallo, zeker. Een aantal buren ken ik al wat beter, de meesten ken ik echter helemaal niet. Een voornaam hooguit. Je kan jezelf ook afvragen hoe goed je elkaar wilt kennen. Maar goed.

In het dorp van vroeger kenden we elkaar ook nauwelijks. Raar eigenlijk voor een dorp met nauwelijks 1000 inwoners en vier kroegen. Onze keukendeur stond notabene altijd open. Letterlijk, kun je nagaan. Mijn bijbaantjes waren de melkwagen van L.’ke vullen en het Zondagnieuws bezorgen. Bovendien hing ik geregeld in een van de kroegen. En toch, ik kende niemand echt. Ik wist dingen, we wisten allemaal dingen. Teveel dingen soms. Maar hoe goed kenden we elkaar nou?

Nauwelijks.

Inmiddels staat er een springkussen tegenover ons huis en zie ik allerlei bezwete buren, mensen waar ik doorgaans hallo tegen zeg en soms een pakketje aan overhandig, druk in de weer met tafels en banken en koelkasten en allerlei drukke delegerende gebaren. Ik observeer en besluit dat het mijn rol is om het straatfeestopbouwtafereel beschrijven. Niet voor het buurtkrantje (dat is er niet en nee ik ga er ook geen beginnen), maar voor dit blog en omdat ‘er als een doelloze zoutzak bijstaan’ zóver uit mijn comfort zone ligt dat ik voor deze keer liever lui dan moe ben.

Zonder te vluchten in bier en wijn sla ik me hortend en stotend door de avond. De kinderen heb ik nauwelijks gezien. Ik heb het overleefd. Zelfs de een-op-een-conversaties die we van overbuurman/team/spelleider R. (in het dagelijks leven freelance dagvoorzitter/filosoof/journalist) moesten doen. Ik voelde me op een olijke manier toch een beetje gedwongen om mee te doen. Wat zeg ik, ik heb zelfs in een microfoon voor een groep aangekondigd dat de mevrouw van nummer 1 – ik ben haar naam even kwijt – net als ik een creatief beroep heeft. En mijn zorgen geuit over de snelheid van het verkeer in de straat in relatie tot onze spelende kinderen.

Onze ja. Zo snel worden de rode strepen getrokken. Tot hier en niet verder. Dit is onze bubbel. Onze roedel. En dus maken we een onbeschaamd onderscheid tussen ‘die van daar’ en wij.

Maar goed, eenmaal aan de praat gaat het met mij honderduit. Ik laat geen spreekwoordelijke bladzijde omgedraaid. Alles van hoe sensationeel verlegen ik was als kind tot mijn angst om op mezelf te staan als adolescent. Hoe minder goed ik iemand ken, hoe meer persoonlijke zaken ik op tafel gooi. Wil je mijn verhaal horen? Heb je even? Hier. Pak aan! Ik ken jou niet dus wat heb ik te verliezen?  Een ding bleef echter ongenoemd in deze openhartige persoonlijke openbaring. Mag jij eens raden wat?

Precies. Dat ik een blog schrijf met als titel ‘heb het er maar over’.

Advertenties