De ronde

door Marc

Mijn vader (rechts) wint zijn eerste dikke-banden-race.

Een jaar of twee geleden zat ik voor het laatst op een racefiets. Als je 100 meter voor een kruising al in de remmen begint te knijpen is de lol er snel af. Ik werd te voorzichtig, te bewust van de situatie en de mogelijke consequenties van asfalt en staal op mijn fragiele lijf. Misschien dat ik ooit weer op een racefiets stap, maar dan had ik wel onlangs veel meer dat ‘ik mis het’ gevoel moeten hebben.

Dat gevoel bleef uit.

Onlangs vond namelijk de Ronde van de Besterd plaats. Een lokaal georganiseerd ouderwets rondje om de kerk, maar dan zonder de kerk. Niet gereden door profs, maar door zogenoemde licentiehouders, mannen die nog iets te bewijzen hebben. Vroeger kon je als semi-prof zo je geld verdienen, nu race je voor de eer en een envelopje van een lokale sponsor. Voor de kinderen werd een dikke banden race georganiseerd. Zij kregen állemaal een medaille.

Het criterium. Rondjes. De speaker met z’n flauwe grapjes. De wedstrijdmiss. Ik kon niet anders dan aan mijn vader denken. Jarenlang fietste hij deze rondjes, smakte zoals zovelen wel eens op de grond (kijk deze, zei hij dan wijzend naar het litteken op zijn been: want prikkeldraad), leerde mijn moeder kennen toen hij vlak voor haar neus tegen het asfalt kletterde en werd uiteindelijk prof.

Jongensdroom. Vinkje. Bucketlist.

Ik durf niet te zeggen dat ik zijn talent had, want talent had hij zeker. In elk geval had ik niet zijn stijlvolle zithouding op de fiets. Bij mijn vader zag dat er fantastisch uit, bij mij geblokt en onhandig. Mijn moeder liet mij geen wedstrijden fietsen. Kon ze niet aan. Terugkijkend miste ik trouwens die innerlijke drang om iedereen het snot voor de neus te fietsen. Die oerdrang om altijd te willen winnen, de beste willen zijn. Bovendien was ik toen als mens al te gecalculeerd, zat ik teveel in mijn kop. En dus peddelde ik in plaats van wedstrijden als 14-jarige knaap in het weekend mee met de fietsvrienden van mijn vader door het Limburgse landschap. Tot mijn 16e, daarna ging ik op stap. Ging ik drinken. Leerde ik meisjes kennen. Wilde ik niet meer met mijn vader gaan fietsen.

Mijn buurjongetje deed mee aan de dikke banden race en smakte in de eerste bocht naar de grond. Niet ernstig, maar als toeschouwer – laat staan als ouder – slaat je hart dan wel een paar slagen over. Zo’n fragiel lijfje, het is kansloos. Hij werd keurig opgelapt bij de EHBO-post. Stoer verhaal voor later.

Voor de eretribune stak de wedstrijdfotograaf de straat over. Zijn camera bungelend op de buik en met een tred die gezien vanuit de verte sprekend op die van mijn vader leek. Het postuur, de lengte, de hoog opgetrokken broek, zelfs het kapsel. Even stokte mijn adem. Ik zie hem zo staan langs de dranghekken. Enthousiast aanmoedigend, een drinkbus aangeven. Zijn kleinzoon vooruitjuichend, die dan wel mee zou moeten doen. Mijn moeder zou dit allemaal veel te spannend vinden. Blij dat ze na al die jaren mijn vader nog had. De gedachte dat ze het hele circus opnieuw moest beleven zou voor haar teveel zijn.

Maar ze had mijn vader niet meer en zij is er zelf ook niet meer. Pas toen ik weer thuis was overviel dat gevoel me. Ons gezin weet teveel over het op de grond smakken, over mensen kwijtraken waar je van houdt, over kwetsbaarheid. Natuurlijk had mijn moeder al die jaren gelijk. Racefietsen is gevaarlijk, maar of dat voldoende reden is om het dan maar niet te doen, dat weet ik nog steeds niet zeker.

Advertenties