In onze gang

door Marc

Dit is mijn gang. Geen deur of richtingsbordje is mij vreemd. Geen geur onbekend. Rechts de brasserie. Links de apotheek. Dat het maar duidelijk is. Wat verderop de kapsalon waar mensen na de zoveelste chemo ongegeneerd de laatste slierten haar weg laten scheren en zich een pruik aanmeten. Een jonge vrouw veegt er de vloer.

Mijn gang ligt ver verwijderd van het nieuwe normaal. Hier geen influencers die selfies maken in Tsjernobyl. Hier geen democratisch gekozen bedriegende misogyne president van een wereldmacht. Hier geen van links naar rechts hossende menigtes. Geen slingers. Geen feest. Hier alleen goed nieuws of slecht nieuws.

Dit is mijn gang en het is onze gang. Het is de weg die wij bewandelen. Zij en ik, de mensen die ik onderweg tegenkom. Mijn lotgenoten. Wat zouden zij hebben? Het is vast erger dan wat ik heb. Iedereen in deze gang heeft wel iets. Misschien wel voor altijd. Misschien hebben ze het een koosnaam gegeven, een identiteit. Ter troost of om het te begrijpen. De gang stelt me gerust. Hier kom je alleen als je iets hebt en ik ben niet alleen.

Ik meld me aan een balie, neem plaats in wachtruimte 3 en sta op als een verpleegster ‘mevrouw Lochs’ roept. Mijn naam, ander geslacht. Ik vermoed niet dat de ene vrouw die er al zit dezelfde achternaam heeft als ik. De verpleegster schaamt zich zichtbaar. Ik maak er een grapje over. Ze glimlacht en steekt even later een naald in mijn arm.
Komt ie, zegt ze.

Elk jaar iets moeten doen waarvan je weet dat het noodzakelijk is, zou eigenlijk geruststellend moeten zijn. Dat is het niet. Het is een donkere wolk aan de horizon. En elk jaar opnieuw is het maar de vraag van waar de wind waait.

Je hebt al vaker een scan gehad zie ik, zegt ze lezend van het formulier. De langste was 45 minuten, lach ik. Oh, zegt ze. Dan hoef ik jou niets uit te leggen. Nee, zeg ik. Ik ben een scanfan. Ik lach. Zij lacht. Humor om het klein te houden.

Eenmaal in de buis dommel ik een beetje weg.

Als ik weer naar buiten loop zijn ze er nog steeds. De ontelbare onzichtbare aandoeningen. De diepe wateren. De confrontatie met de sterfelijkheid. De onrust van de wat als. Iets verderop in mijn gang duwt een verpleegster een bed met daarin een man van mijn leeftijd. Ik kijk naar mezelf. Zijn ogen verraden dezelfde hoop op een goede afloop die ik had. Niemand hier die ergens raar van opkijkt. In de context van een ziekenhuis is niets uitzonderlijk of confronterend. We zijn hier in onze gang, hier mogen we bang zijn.

 

 

PS De uitslag was trouwens goed. En die vermaledijde hangende wenkbrauw, daar gaan we na de zomer het gesprek over aan.

Advertenties