Tussen de coniferen

door Marc

FullSizeRender.jpeg

‘Een zórgmelding werd gedaan’, las ik. Die apostrof heb ik zelf toegevoegd, ik las de zin eerst niet goed. Eerlijk gezegd was ik niet bekend met de term. Nu wel. Voor wie het ook niet weet, een zorgmelding wordt dus gedaan als politieagenten bijvoorbeeld een jongetje buiten in de regen aantreffen, staand op de rolluikkap van de voorgevel van een huis. Daarvoor moeten de ouders dan niet thuis zijn en het jongetje moet aangeven dat hij daar staat omdat hij op zoek is naar zijn ouders. De voorwaarden komen in elk geval best nauw.

De zorgmelding betreft dan vooral de ouders. Maar dat wist je vast al. Na de zorgmelding treedt – vul ik even in – een goed uitgedokterd plan in werking. Met allerlei protocollen en alarmbellen, want daar zijn we in Nederland zo goed in.

Vroeger was alles anders.

Ooit was ik dat jongetje op de rolluikkap. Al gebruikte ik gewoon de achterdeur en klom ik niet uit het raam. Mijn ouders maakten op een zomeravond een wandelingetje. Samen. Een blokje om. Romantisch. Het toeval wil dat ze dat deden net toen ik uit mijn slaapkamerraam naar buiten keek. Ik zag ze de hoek omgaan, overtuigd als ze waren dat ik sliep.

In het hoofd van een negenjarige is niks romantisch aan zo’n wandelingetje. In het hoofd van deze negenjarige heerste pure Paniek. Met een hoofdletter inderdaad. Waar gingen ze naartoe, mijn ouders? Wat als ik ze nooit meer terug zou zien? Waarom nu? In het donker. In het fantasierijke hoofd van deze negenjarige explodeerde het beeld van weglopende ouders in de meest verschrikkelijke dingen.

Ik moest ze zoeken, vinden. Ik trok mijn slofjes aan en vluchtte het huis uit. Rap! Achter ze aan. Na 11 uur ’s avonds is het in een dorp doodstil. Alleen een van de zoveel zonen van de boerenfamilie B. kwam ik tegen en die keek er niet bepaald van op dat een negenjarig manneke in het donker aan hem voorbij snelde. Ik glipte langs de entree van het kerkhof en vervolgens langs de drie villa’s die het dorp rijk is. Ik volgde de weg naar rechts en ging nog een keer naar rechts langs het kermisplein richting het huis van mijn grootouders. In de logica van een negenjarige gaan ouders altijd na 11 ’s avonds op bezoek bij opa en oma.

Maar bij opa en oma was het muisstil. Logisch. Daar waren mijn ouders niet. Sterker nog, daar was helemaal niemand. Paniekerig sprintte ik terug naar huis. Wat moest ik nu? En nondepie dacht ik, ik had mijn zusje alleen thuis gelaten. Het was dus aan mij nu. Ik zou de rol van mijn ouders over gaan nemen. Mijn ouders waren verdwenen. De oudste thuis was vanaf nu negen jaar oud.

Een kop vol paniek staat logica niet toe. Toen ik eenmaal thuis uitgeput achterom wandelde, was het licht in de woonkamer aan, zag ik mijn moeder huilend in de keuken en waren opa en oma druk in de weer in de woonkamer. Een zoektocht was ophanden en ik – bang – verstopte me in het donker van de tuin tussen de coniferen. Mijn kop nog steeds vol spanning, maar nu om betrapt te worden. Voor de consequenties, ook al hoefde ik voor de aanleiding van mijn zoektocht de hand niet in eigen boezem te steken. Die stak toch echt in die van mijn ouders.

Ik kan me niet meer goed herinneren wie mij uiteindelijk tussen de coniferen in mijn pyjama en slofjes aantrof. Wat ik me wel nog goed kan herinneren zijn de warme armen van mijn moeder om me heen. De spanning die ik had, het verdriet dat zij had en vervolgens de gigantische opluchting in ons allemaal na mijn vondst. Gewoon, daar. In de tuin. Tussen de coniferen.