De kerstkaart

630F2D09-5C22-4B40-9A50-5C441834BED3.jpeg

Met zes jaar ervaring mag ik mezelf gerust een door de wol geverfde schoolpoortouder noemen. Je vindt mij aan school doorgaans ergens in de achtergrond, onder een van de plantsoenboompjes een beetje turend door het raam van groep 3, waar overigens geen van mijn kinderen meer in zit.

Aan het begin van een schooljaar duikt onwennig de nieuwe lichting ouders op. De benedenbouwdoorstromers. Groentjes zijn het. Langzaam maar zeker zullen ook zij zich in de vorm van ophaalouder wringen.

Op maandag en woensdag maak ik onder de boom een praatje met M. Onze dochters zitten bij elkaar in de klas. En soms spreek ik met een ouder een afhaaltijd af als een van de kinderen ergens gaat spelen. Verdere interoudercommunicatie is er niet.

Op de laatste schooldag voor de kerstvakantie hingen sjaals en handschoenen in de boompjes. Er hing ook een brief bij, geplastificeerd. De brief was gericht aan mensen die op straat leven. Een idee van groep 7, de groep van de oudste.

December is kerstkaartcreatiemaand. Dankzij de kleine letters van de schoolvisie weten we inmiddels dat onze kinderen op een Rooms-Katholieke school zitten. Al merk je dat eigenlijk alleen in december. Het zij zo. In elk geval hadden we ons geen betere school kunnen wensen.

Iets later dan halfdrie komt de jongste naar buiten gerend. Ze is nooit als eerste uit school en daar ligt ze verder niet van wakker. Voor mij was het vroeger een taak om als eerste de deur uit te zijn, het schoolplein over te sprinten en door het Herashekwerk naar buiten te stuiven. Ik woonde bij school om de hoek in een dorp met nauwelijks 1000 inwoners. Daar wachtten zelden ouders.

Ze wappert vrolijk met een kaartje. Kijk, zegt ze. Haar rugzakje hangt half open, haar jasje bungelend in de andere hand. We moesten van de juf een kerstkaartje maken, hijgt ze. Ik heb er een voor opa en oma gemaakt. Wat leuk, zeg ik terwijl ik nog snel de koetjes van de kalfjes scheid met M. Ik las het tekstje in het kaartje. Ze schrijft dat ze hoopt dat opa en oma het kaartje leuk vinden. Zullen we het kaartje dan opsturen, dat vinden opa en oma van de diertjes vast erg leuk, zeg ik.

Maar, maar, maar. Het kaartje is niet voor opa en oma van de diertjes, prevelt ze. Het is voor de andere opa en oma.

Toen brak mijn hart.

Advertenties