Constateringen

door Marc

file-3 (2).jpeg

De mens is prima in staat om iets kruispunterigs als een bestraling, tumoren en de emotionele impact die daarop volgt ver uit zijn zicht te parkeren. In de hoek, op het dak van de parkeergarage als het ware.

Dat is een geruststellende constatering.

Goedaardig of niet, de restanten van wat heel plastisch ‘tumor’ wordt genoemd, zitten nog gewoon in mijn hoofd. Letterlijk en figuurlijk. De gevolgen daarvan hebben datzelfde hoofd voorzien van de nodige littekens. Letterlijk. Daar tegenover staat dat de figuurlijke kant van de medaille in mij sterker is dan ik ooit durfde te dromen.

Wat ik hier eigenlijk omfloerst probeer uit te leggen is dat ik om diverse redenen niet meer zo mee bezig ben met dat ziek-zijn. Dat wil overigens niet zeggen dat het nu allemaal voorbij is. Zo simpel is het helaas niet. Niet voor niets zijn zes maanden geleden die verdammte restanten nog bestraald. Achteraf gezien bleek dat eenvoudig te parkeren.

Lastiger wordt het als ik aan mijn ouders denk.

Die leefden zes maanden geleden namelijk nog, maar nu niet meer. Toen bereikte de chaos een hoogtepunt en vond ik mijn nieuwe nulpunt. Als je weer opkrabbelt en je wordt van achteren neergeknuppeld sta je opnieuw op, leer je van het moment, klop je het stof af en begin je weer. Een beetje wijzer. Een beetje grijzer. En veel sterker.

Nog een constatering, zij het een minder geruststellende. Het zijn niet mijn schouders die de last dragen, het is mijn hoofd. Daar ga ik de spreekwoordelijke strijd aan. Daar zit de wanorde en tegelijkertijd de rust en ruimte om alle tegenslag te pareren. Om het een plek te geven of op zijn kop.

Vooruit, nog een constatering dan. Een die helemaal niet geruststellend is. De wijze waarop mijn lijf reageert als ik het ETZ-logo zie. Op een envelop bijvoorbeeld, die geregeld op de vloer bij de brievenbus belandt. De Pavloviaanse reactie is dan een lichamelijk schokje, gevolgd door een warme gloed die door me trekt. Alsof ik heel even onder stroom sta en het daar heel warm van krijg. Niet dat vlinders in de buik soort warm. Eerder dat ik moet ontzettend kotsen omdat ik kei-zat ben soort warm.

Zoals onlangs. In de betreffende ETZ-envelop zat een uitnodiging. Of ik een post-bestraling controlescan wilde laten maken, plus meteen een bezoek aan mijn behandelend arts c.q. neurochirurg.

Ik mag dan wel denken dat de laatste twee jaar voor een drastische positieve ommekeer in mijn leven hebben gezorgd, de onrust zal in mijn brein altijd op een kier staan. Ik bedoel maar; ik heb fysiek last van een logo! Zegt genoeg. Met dat verschil dat er eerst gemakkelijk een maat 46 schoen tussen de kier paste en nu hooguit een lucifer. Dat is winst.

Die kier is mijn ‘wat als’. De negatieve energie. Ik heb er niks aan, maar het is er wel. Soms dan. Deal with it. Daar hoef ik geen consult voor te volgen. Of een workshop of me op te laten beuren door Instagrammotivatieslogans. Ik haal het uit mezelf. Ik kijk naar de zon. Voed mezelf met positieve energie. Ik lees en schrijf. Ruk wat onkruid uit de heg. Knuffel mijn kinderen. Drink een kopje koffie. Kleine dingen, meer hoeft dat niet te zijn.

Pas dan fiets ik naar het ziekenhuis voor mijn afspraak, waar ik plaatsneem in wachtkamer C van route 42.

Dat verslindende gevoel van wachten op een uitslag. Ik was de scherpte ervan vergeten. Het overvalt me. Opeens is het daar weer, die gekke druk op mijn borstkast. De furieuze hartslag van mijn nekslagader.
Mijnheer Lochs, hoor ik uit de mond van de neurochirurg.
Mijnheer.
De grapjas. De man die in mijn hoofd heeft gekeken, noemt mij mijnheer. Je zou denken dat onze relatie hecht genoeg is voor een wat amicalere benadering.

Ik heb de scans bekeken, zegt hij en alles ziet er goed uit.
Tets, meteen naar de kern.
Je tumoren zijn verlittekend, vult hij aan. Daar gebeurt dus niks meer.
Ik kijk naar de scans en zie geen verschil. De opluchting is daarentegen groots met een zachte G.
Doembeelden van opnieuw een bestraling. Mandarijnen. Ontstekingen. Ziekenhuisopnames. Alles verdampt. Poef! En weg. De lucht klaart op, ik klaar op.

Hoe is het verder met je? zegt hij.
Ik kijk hem twijfelend aan.
Ik voel me goed, zeg ik. Dat wil zeggen fysiek. Helaas is de realiteit dat mijn ouders na de bestraling allebei zijn overleden, zeg ik.
Verdriet dringt zich aan mij op.
En in de tussentijd is ook mijn tante nog overleden, vul ik aan. En ik zit zonder werk.

Nu jij weer dacht ik.

Ik vertel hem over de dood van mijn vader, de valpartij en dat ik ironisch genoeg zijn hersenscans heb gezien. Met een Belgische neurochirurg over het stoppen met behandelen heb gesproken. In zijn hoofd was het een en al chaos, vertel ik. Een soep, noem ik het bij gebrek aan een betere omschrijving.

De optelsom van de laatste zes maanden van mijn leven is zelfs voor een neurochirurg indrukwekkend. Hij condoleert mij en zwijgt dan. Hij wacht op mij, maar ik zwijg ook. Soms voegen woorden niets toe. Tot over een jaar, doorbreekt hij de stilte. Voorlopig ben je van me af, zegt hij en ik voel me twintig kilo lichter.

Terug naar huis wandel ik binnen bij het olijke brocantewinkeltje waar R. onlangs een onhandig zware porseleinen hond heeft gekocht. Of ik die wilde ophalen. Een teckelachtige of zo. Maar wat weet ik nou eigenlijk van honden? Helemaal niks.

De zon tikt me op mijn schouder. Hallo, ja hier ben ik. Gek hoe dat werkt. In mijn hoofd zou het eigenlijk een grote chaos moeten zijn. Daar is geen sprake van. Niet meer. Ik kijk de zon aan en in mij droogt het op, trekken de donderwolken weg. Ik treuzel verder, de teckel in de fietstas. Ik fluit een riedeltje en zuig het allemaal op, als ik plotseling besef hoe mooi het leven is als alles nog kan. En dat het alleen maar mooier wordt als je eenmaal weet wat nog mogelijk is.

Advertenties