Nergens over gaan

door Marc

CB7320CB-383B-4E31-8B4E-6CF914FD409E

In de zaterdageditie van de Volkskrant schrijft Thomas van Luijn stukjes. Je kent hem wel, Thomas. Doorgaans gaan zijn stukjes nergens over. En met nergens bedoel ik dat ze mij nul verheffende inzichten verschaffen. Internationale conflicten bestaan niet. Ernstige ziektes ook niet, laat staan het schenden van mensenrechten of zoiets als racisme. Van Luijn heeft het liever over kleine dingen. Micro-ergernissen. Zoals onlangs: wc-rolletjes, hoe op te hangen.

Ik lees ze graag. Het plukt mijn gedachten even weg bij de ernst van het leven.

Hier en daar herken ik mezelf. Dat wil zeggen, ik herken mezelf in zijn schrijftoon. De knipoog. De zelfspot. Het kleine een moment heel groot maken. Daarmee wil ik mijn schrijven vooral niet met zijn schrijven vergelijken. Op de eerste plaats schrijft hij voor de Volkskrant en schrijf ik voor mezelf. Op de tweede plaats ben ik alleen bekend in het huis waarin ik woon. Van Luijn is een min of meer bekende Nederlander.

Wat ik zeggen wil is dat vroeger – voordat het leven mij een paar keer flink in de ballen trapte – ik net als T. ook steevast met de nodige zelfspot schreef over onbenulligheden. Daar had ik plots weer zin in. Iets piepkleins wonderlijk groot maken. Met een lach en een traan en elk ander spreekwoordelijk cliché dat in de context van het onbenullige verwacht mag worden.

Dat gevoel stemde mij vrolijk. De situatie waarin ik verkeer noopt nou niet bepaald tot uitgesproken vreugde. Maar ik voel wel dat stukjes zoals die van T. de kier in mijn kop steeds verder open forceren.

Dat is stap 1. Maar wat is allemaal klein en kan ik het heel groot maken? De vraag stellen is meteen beseffen dat mijn Pavlovbrein nog steeds in overlevingsmodus staat. Eerst moeten de donkere wolken verdreven zijn, wil er ruimte zijn voor zon. Nog zo’n cliché.

Het voelt nog een beetje roestig. Ik moet erover nadenken, het komt nog niet vanzelf. Alsof mijn alertheid reuma heeft. Dan ga ik over schrijfonderwerpen nadenken en dan werkt het niet. Dan komt er niets uit. Daar sta ik dan met al m’n zojuist ontdekte vrolijkheid. In m’n hemd ja. Een mentor drukte me ooit op het hart om maar gewoon te beginnen met schrijven. Het hoeft helemaal nergens over te gaan, zei hij. Elk woord dat je schrijft heeft de potentie om tot iets moois uit te groeien.

Toen ik dat een half uurtje geleden besefte, stond dit stukje een half uur later op het beeldscherm. Het gaat eigenlijk nergens over. En als je het gelezen hebt, is je leven niet bepaald verrijkt met een waanzinnig fraai inzicht. Maar voor mij en mijn vrolijkheid is het wel het bewijs dat ik nog steeds verheffend kan schrijven over helemaal niks. Logisch dat ik daar vrolijk van word.

Advertenties