Idyllisch

door Marc

file-1 (2)

Laatst schoot de lente in mijn kop. Ongemerkt scheen de zon een knop in mijn hoofd aan en dan moet er opeens heel veel, heel snel. Zodra mijn geest zich ontworstelt aan de winter ontstaat er honger naar alles. Dat is biologie. Heeft het wild de buik na de lange kou eindelijk weer vol, dan wil het paren. De mens wil dan vooral fietsen.

Natuurlijk is het geen toeval dat Veilig Verkeer Nederland haar zorgen over het fietsgedrag van onze kinderen uit op de drempel van de lente. VVN is bezorgd over de fietsende kinderen van Nederland. Ze fietsen niet genoeg. De woordvoerster keek ernstig toen ze het zei.

Fietsen dus. Om niet meteen al de eerste lenteochtend kwijt te zijn aan het debatteren over de bestemming, hebben we een vast plekje om naartoe te gaan. Sinds twee jaar, dat is nog vers dus. Onze bestemming ligt verborgen in de bossen bij H. Het is er zo onbekend dat je er zelfs ongezien naakt kun zwemmen. Overigens niet R. en ik, maar onze kinderen.

Maar.

Ons plekje is ontdekt. Als je in Nederland aan de massa wilt ontsnappen moet je toch echt op zoek naar de lelijke plekken van Nederland. De hoogovens. De olieopslag in Rotterdam. Snelwegindustrieterreinen op zondag. Chemelot. Ik noem maar wat. Het uitzicht is verschrikkelijk, maar je komt er op zondagmiddag nauwelijks een mens tegen.

Conclusie. Zodra er vlinders zijn wordt het druk. Overal.

Terug naar ons favoriete plekje. Sinds ik vorig jaar een foto op mijn socials (zo heet dat tegenwoordig) plaatste is het ontdekt. Dat is overigens toeval. Ik ben niet bepaald een influencer.

Honderd meter verder op het pad struikelden we bijna over twee rokende vrouwen, zittend op een handdoekje in de zon.

Daarna zag ik een vrouw op leeftijd die met een eigenzinnige doosachtige constructie op haar schoot, in een klapstoeltje naar het ven zat te staren. In het schrift dat ze vasthield las ik cijfers. Verderop, bij het strandje zat tegen een boom een man een boek te lezen. In het ven zijn zoontje, enkeldiep in het water.

Idyllisch. Maar wel op ons plekje.

Zoonlief riep dat hij een modderdorp ging maken plus een vet kasteel. Hij zit vol met plannen, altijd. De jongste deed mee. Het water was koud en onze kinderen zijn geen helden. Dan weet je het wel. In de verte dolde een hond met de lente in zijn kop. De hond had er duidelijk 100% zin in. Het beest danste in het water, rolde knorrend in het zand en schudde zich lekker uit. Alsof het op die manier de lange winter verjoeg.

De vrouw die bij de man van de hond hoorde noemde onze straatnaam. In eerste instantie negeerde ik haar. Zal wel dacht ik. R. is wat dat betreft socialer en rammelt er meteen een gesprekje uit. De lente in mijn kop knikte slechts bevestigend naar de vrouw, verplichte glimlach. Ongemeend. Van binnen gloeide de teleurstelling. Ons plekje was niet meer van ons. En erger nog, ik besefte plots dat het nooit van ons was.

De man van de hond wees ons meteen even op een aardhommel die zich in het ingraven was. Hij stapte duidelijk goed voorbereid de lente in. Hij kent zijn insecten, de waarom en de hoe.

De lezer die tegen de boom zat sprak zijn inmiddels gearriveerde dochters aan op hun gedrag. Al ontging me wat ze precies verkeerd hadden gedaan. Hij was duidelijk geïrriteerd, wilde rustig lezen maar zat opgescheept met drie kinderen die net als hij last hadden van de lente. Of anders gezegd, hij had last van wat de lente aan verwachtingen en mogelijkheden schept. Er bestaat zelfs zoiets als een lentedepressie, las ik ergens.

De dansende hond dook in het water. Apporteerde een stok. Rolde zich droog in het zand en schudde zich uit. Vlak naast de lezer. Op de lezer.

In een zin sprak hij zijn kinderen streng toe en stapte zonder punt in de zin over naar de man van de hond.
“Wil je die hond godverdomme bij je houden. Zie je niet dat hij mij nat spettert? Houd hem bij me uit de buurt”, bromde hij.

Zelden zoveel irritatie in een opmerking gehoord. Hij had de winter duidelijk nog niet uit zijn systeem verdreven.

De man van de hond zei kalmpjes, alsof hij vaker op het gedrag van zijn hond werd aangesproken: “Het is een zij. En we letten goed op haar hoor.”
De lezer geirriteerd: “Nou, dat lukt dan niet echt. Ik ben verdomme zeiknat. (Overigens viel dat reuze mee.)

De man van de hond riep het beest bij zich, maar de lente in haar kop had de remmen doorgeknipt. Daar was geen eer meer te behalen.

Ik begrijp de irritatie. Is het eindelijk lente, kan je eindelijk dat nieuwe boek onder een boom lezen, zit je opgescheept met je drie inmiddels bemodderde kinderen, omdat mevrouw de vrouw lekker wijn wilde teuten met haar BFF op een terrasje. (Volgens mij is dat een uiterst geloofwaardige aanname.)

En alsof je verlangen niet erg genoeg is, verschijnen er plots mensen met honden en een gezin waarvan de oudste ook nog eens een blog over je gaat schrijven. De beste man schiet op dag één van de lente al in een lentedepressie, omdat de rest van de wereld diezelfde dag de lente in de kop krijgt. En hem daarmee nog lastigvalt ook.

Advertenties