De vuurstokers

door Marc

IMG-7530

De dood is aangrijpend.

Niet gezond zijn is dat ook. Vaak zijn die twee nauw met elkaar verbonden. Soms niet. Mijn moeder was niet gezond en overleed. Mijn vader was wel gezond en overleed desondanks. Allebei waren ze veel te jong om te sterven.

Ik was niet gezond, maar ik ben er nog.

Schrijven is een belangrijke stap in mijn verwerkingsproces. Wat er ook gebeurt, altijd blijven schrijven. Als ik schrijf stel ik mezelf vragen over situaties die ik niet begrijp. Situaties die mijn pet te boven gaan. Ik onderzoek, lees, praat daarover en schrijf daar vervolgens weer over.

Proces = alles.

Dit blog grijpt regelmatig voor antwoorden terug naar de plek waar ik ben opgegroeid. Vaak liggen de antwoorden in mijn verleden tijd. Dan wroet ik in aarde waar anderen ook in zijn geworteld. Dan kan het zijn dat iemand zich een herinnering anders herinnert. Of helemaal niet. Of zich weer aan mij herinnert. Dat maakt herinneren zo leuk. Of confronterend.

Een tijd terug kreeg ik via Messenger een berichtje van R., een jeugdvriend. Ik heb het al eerder gehad over R. Dat ging over de fikkende kapstok in de gang van zijn ouderlijk huis geloof ik. Of dat hij tijdens voetbalwedstrijden scheenbeschermers op zijn schenen én kuiten droeg. Hij vloog er wel eens onbesuisd in, vandaar.

Wij waren net Huck Finn en Tom Sawyer. Klassieke avonturiers. Vuurstokers. Nachtwandelaars. Grasspriet in de mondhoek. Hutbouwers. Als mijn jeugd een cv was, zou dat er allemaal op staan. Het leuke van goede vrienden zijn tijdens je vormende jaren betekent dat je veel van wat je voor het eerst meemaakt, samen meemaakt. Dat verankert de herinnering. Overigens kwam ik pas later in mijn leven tot die conclusie. Later, toen we al uit elkaar waren gegroeid.

R. kende mijn ouders. Hij weet gegarandeerd nog hoe mijn moeder ons naar metalconcerten in de Sheltur in Brunssum reed en ophaalde. Dat is op zich niet heel erg metal, maar we hadden nog geen rijbewijs. Naar uitwedstrijden bracht ze ons ook. Zie de foto. Een echte soccermom was zeToen al.

Hij weet vast ook nog hoe mijn ouders naar de door onszelf georganiseerde BMX-wedstrijdjes kwamen kijken. (Op de minibaan die we zelf hadden aangelegd, achter het lokale voetbalveld. Om die plek als crossbaan bestemd te krijgen hebben we nog actie gevoerd bij het gemeentehuis.) Hoe hij in de keukendeur kletste met mijn ouders, terwijl ik in de garage haastig mijn soldaatjespeelspullen bijeenraapte. Hoe we op onze krakkemikkige fietsjes over dat armzalig slecht geplaveide fietspad – met links en rechts de rokende stinkpijpen van de DSM – naar de V&D in Geleen fietsten, om een van de nieuwste Star Wars-actiefiguurtjes te kopen.

Net zo goed herinner ik me R.’s ouders. En zijn ouders kenden mijn ouders weer. Het is en blijft een dorp hè. Dat is het mooie van diepgewortelde herinneringen. Gaandeweg raak je elkaar kwijt en dat is oké. Maar de herinneringen blijven. R. stortte zich op het hardlopen en koos voor de timmerschool in Maaseik. Ik verdwaalde langzaam maar zeker op een zoektocht nergens naartoe en landde uiteindelijk in Tilburg.

De herinneringen bleven, daar zijn het nu eenmaal herinneringen voor. Misschien waren ze voor mij net iets meer waard dan voor R. Dat weet ik niet. Wat ik wel weet is dat ze regelmatig opduiken en mij terugbrengen naar een tijd waarin we helemaal niet bezig waren met volwassen zijn. In een tijd dat alles opeens erg volwassen is, is dat een geruststellende constatering.

Advertenties