Dodenherdenking: blijf de verhalen delen

door Marc

IMG-9701

Mijn opa sprak er niet vaak over. Je mocht ernaar vragen, maar liever niet. Zelfs mijn vader wist niet van de hoed en de rand. Ik stel me voor dat toen de oorlog eenmaal voorbij was en de wereld langzaam weer opkrabbelde, zijn herinneringen aan de oorlog een plek kregen onder de grond, onder lagen eelt en verdraagzaamheid. Om de vrede in zichzelf te bewaren.

De zuidelijke cultuur spreekt zich liever niet uit. Waar zit de frustratie, waar doet het pijn en wat kunnen we daar samen aan doen? Die vragen stelde je niet. In die tijd zeker niet. Verdringen, afkloppen en doorgaan werd noodzakelijk geacht. Erover praten zou de pijn alleen maar oprakelen. Daar had niemand iets aan vond hij.

Flarden van zijn herinneringen doken door de jaren heen op, tussen neus en lippen door verteld door mijn grootvader, alsof hij ze bewust liet ontsnappen. Omdat de druk er soms af moest.  Joden die tegen grove betaling de Maas over werden gesmokkeld. Collaborateurs. Verzetsmensen die door het dorp fietsten en waarschuwden voor razzia’s. Duitsers die zich te buiten gingen in het café waar mijn oma bediende. Je kon het maar beter direct opschrijven.

Harrie, mijn opa aan vaderskant (spreek uit als Haarie) vocht in 1940 in het Nederlands leger. Dienstplicht. Voor zover ik weet kreeg hij daarvoor een fiets en een haperend wapen. Dat weet ik niet zeker, zoals ik wel meer niet zeker weet. Wat ik wel weet is dat mijn oma, Harrie ooit opzocht in Venlo omdat hij haar plagerig een foto had gestuurd waar hij naast een ander meisje zit. Ze pakte haar fiets en een banaan (ze at alleen fruit waar een oneetbare schil omheen zat) en fietste de 62 kilometer naar Venlo. Ze ging verhaal halen.

Het Nederlands leger lag toen overigens al 20 jaar aan de beademing. Dat laatste weet ik omdat ik het heb opgezocht. De oorlog overkwam ons en wij waren er domweg niet klaar voor. Toen de vijand ons land bereikte was Harrie gestationeerd in het dorpje Geulle, bij een van de bunkertjes langs het Julianakanaal. Ik weet niet wat hij voelde of dacht tijdens de gevechten, maar ik kan me niet voorstellen dat hij veel vertrouwen had in een overwinning.

Over de invasie van de kanaalzone vond ik het volgende op internet.

Tijdens de Duitse aanval bestond de bemanning uit een soldaat die de mitrailleur bediende, diens assistent en een uitkijk die zorg moest dragen voor de ventilator tegen de kruitdampen. De Duitsers konden niet over de brug omdat die om 5 uur ’s morgens, vlak voordat de Duitsers in het dorp verschenen, door de Nederlanders was opgeblazen. Om 6.30 uur was de aanval voorbij. Er was een Nederlandse militair gesneuveld, een zwaargewond en enkelen lichtgewond. Aan Duitse kant waren geen verliezen. De bruggen in de dorpen Stein, Urmond en Berg werden op datzelfde ogenblik ook overvallen door Duitsers in Nederlandse uniformen. De Duitsers schoten negen granaten op deze bunker. Alle inslagen raakten doel en zijn nog steeds zichtbaar. De mitrailleur werd daarbij uitgeschakeld. Het Duitse leger trok vervolgens over het kanaal, de Maas en Zuid-Willemsvaart via België naar Frankrijk. Gedurende vier dagen passeerden 14.000 infanteristen te voet Elsloo, aangevuld met 6.000 paarden met karren en kanonnen. Op 1 september 1944 trokken Duitse troepen hier over de Maas en Julianakanaal zich terug. In het kanaal lagen op dat moment een aantal schepen die hier beschutting hadden gezocht. De vrachtschepen werden door de Duitsers en passant opgeblazen. Een schip legde men dwars om het als brug te gebruiken. Op 18 september 1944 werd Elsloo door het Amerikaanse leger bevrijd. Na de oorlog is de brug van Elsloo over het Julianakanaal niet hersteld, maar gebruikt om de bruggen van Stein en Geulle te repareren. Pas in 1963 kwam de huidige brug tot stand. Tot die tijd lag er onder aan de Maasberg ter vervanging een veerpont in het kanaal. 

Harrie werd op zijn post in Geulle gevangengenomen en spendeerde de daaropvolgende maanden in een krijgsgevangenkamp in Duitsland waar hij wormen at. Dat heeft hij me ooit verteld. Het maakte indruk. Hij werd vrijgelaten om in de mijnen te werken, dat leverde de Duitsers meer op dan hem gevangen houden. Ik meen me ook te herinneren dat hij gewond was geraakt, maar daar ben ik niet zeker van.

Harrie deed wat van hem werd verwacht. En ook al had hij alle reden om de Duitsers te haten, hij sprak zich daar nooit op die manier over uit. Ik wil graag denken dat mijn opa niemand haatte. Dat zat niet in hem. Verdraagzaamheid wel. Elke keer als ik aan hem denk voel ik de tranen.

Harrie kende de ware aard van de vijand en toen Anj (Anna, mijn oma) besloot om bij hen thuis een jonge Joodse jongen op te vangen, verzette hij zich desondanks niet. Ze trof de jongen bij een boerderij waar hij weg moest. Gerard Cohen woonde een maand of zeven bij hen in en overleefde de oorlog. Niemand wist ervan, althans niemand die erover sprak. Pas een paar jaar voor haar dood sprak Anj er voor het eerst over.

Voor zover dat mogelijk was sloten mijn grootouders de oorlog in feeststemming af. Op 27 maart 1945 werd mijn vader geboren. In het gemeentehuis van Elsloo, onderduikend voor een mogelijke luchtaanval. Op de militaire begraafplaats in Margraten rusten 15 Amerikaanse soldaten die omgekomen zijn op de geboortedag van mijn vader.

De verhalen en anekdotes zijn bij elkaar geraapt. Vergeelde herinneringen en flarden die in de kern kloppen en in de details willen uitblinken. Alleen, die details weten we niet meer. Omdat er niet over werd gesproken, laat staan geschreven. Elk verhaal uit die tijd moet verteld worden. Ook als dat verhaal of die anekdote iemand pijn doet. Ook als het iemand kwetst, beledigt of terechtwijst.

Deze tekst is onvolkomen, maar uit de grond van mijn hart.

Advertenties