Later misschien, nu nog niet

door Marc

file-1 (3)

We hoorden geknaag achter de schotten op onze slaapzolder. Het geluid klonk hard, alsof er grazers achter de schotten leefden die het gras door een barre winter hadden ingeruild voor ons hout. Even moest ik denken aan de Oostvaardersplassen. En aan hooibalen. Stel je voor, pak ‘m beet duizend grazers achter de schotten van onze zolder.
Muizen, riep R. angstig.
Nee joh, houtkevers, zei ik geruststellend.
We wisten het niet. Wat we wel wisten was dat er iets aan gedaan moest worden.

Toeval of niet, maar ik maakte in de tijd van het geknaag ruimte achter de schotten. R. wees mij al maandenlang op de spreekwoordelijke bezem die erdoor moest. Goed om te weten is dat achter de schotten vooral mijn spul staat, mijn zelden uitgepakte meeverhuisherinneringsdozen. De bezem moest erdoor en de herinneringen aan mijn ouders moesten erin.

Ik neem niet van al mijn spullen even makkelijk afscheid. Bovendien besluit ik of ze eruit gaan en wanneer, een knaagdier heeft daar niets over te zeggen. De bewaardrift van mijn vader heb ik niet, mijn situatie is vooralsnog te overzien. Mijn vader – de hoarder – bewaarde alles, ik niet. Wel plak ik de raarste sentimenten op voorwerpen die daar – waarschijnlijk – niet eens recht op hebben.

Uitzonderingen daargelaten. Mijn oude concertshirts bijvoorbeeld. Katoen is een legitieme prooi voor knaagdieren. Ook als dat katoen stinkt naar bier en zweet. Rommelend in de dozen vind ik een shirt met een misprint van de Zweedse death metal band Entombed.

De band stelde destijds zelf voor om het shirt te ruilen. In 1989 had je nog briefcontact met bands uit andere landen, vandaar. Ik heb het shirt maar gehouden. Er zijn er maar 100 van liet de band mij weten. Leuke herinnering. Sowieso is elk shirt een herinnering aan een optreden. De plek, de periode, de geur.

Achter de schotten vind ik verder frutsels en snippers van ooit. Een Star Trek-badge. Zo’n beam me up Scottyding. Een glazen Coca-Cola potje met een kurken dop waar meestal kleingeld in zat. Soms weet ik de herinnering niet eens meer, maar het feit dat het nog in een doos zit is wat mij betreft reden genoeg. De echte herinnering vindt zijn weg pas terug als mijn bewustzijn een bepaald voorwerp ziet en ruikt.

Als ik de dozen nooit meer open blijft de herinnering verborgen. Bestaat de herinnering dan wel nog of niet meer? Bewaar ik daarom al dat spul? Om verborgen herinneringen te verlossen? Het voorwerp zelf doet er verder immers niet toe. Ik ga die shirts echt niet meer dragen. En ik heb niet eens een cassettespeler voor al mijn cassettebandjes.

Ooit, toen de stijgende Maas mijn ouderlijk huis bedreigde en wij door instanties verzocht werden elders onderdak te zoeken, ben ik ‘gevlucht’ met onder mijn arm een klapper vol liedteksten en gedichten die ik had geschreven. In mijn rugzakje zaten verder alleen schone sokken en twee onderbroeken. Langer dan twee schone onderbroeken zou het niet gaan duren hoopte ik.

Ik was thuis op speciaal verlof van militaire dienst. Onze luitenant – De Koperen Helm, omdat hij oranjekleurig haar had – was coulant. Een gast uit Itteren (ook een Maasdorp) en ik mochten naar huis. De grap is dat ik het dorp verliet in de bak van een legertruck, precies dezelfde als die ik tijdens militaire dienst zelf reed. Ik zag de ironie echt wel, maar ik kon er niets mee. Ik werd afgezet bij een heus opvangcentrum in Stein. Het is een sneu gevoel om in de achterbak van een legertruck je dorp uit te moeten. Ontzettend apocalyptisch, ontzettend Fear the Walking Dead.

De spreekwoordelijke druppel was het toilet dat niet meer doorspoelde, maar alleen nog maar opspoelde. Mijn vader bleef in het huis. Hij weigerde te vertrekken en plantte zijn eigenwijze kont op een gammel keukenstoeltje boven naast zijn bed. Als je me nu vraagt waar die liedteksten zijn, heb ik geen antwoord. Wat destijds – in mijn zwalkende jaren – gold als mijn houvast, verloor gedurende de jaren aan waarde. Deflatie van herinneringen.

Bij de Praxis heb ik vijf plastic opbergbakken gekocht. Dat stapelt makkelijker. Vijf stuks kocht ik plus deksels, in elkaar gestapeld op de bagagedrager van mijn fiets. Een staaltje zelfoverschatting van heb ik jou daar, dat richting huis fietsen met achterop bewaarbakken en deksels. Maar wel beter voor het milieu, moedigde ik mezelf aan, kop in de wind.

Achter de schotten staat een bakje gif tegen de muizen. Het bakje is verschoven en niet door mijn doen. Waarschijnlijk vallen papa en mama muis binnenkort dood neer en dat zullen ze recht voor de ogen van hun jongelingen doen.

Wat nou herinneringen?

Het leven is bruut en oneerlijk, vooral voor de muis die in dezelfde ruimte als R. wil wonen. R. is zemmifobisch en musofobisch. (De kretologie heb ik opgezocht.) Het is R. of het knaagdier. Mag jij raden wie die battle gaat winnen en wie er zijn handen vies aan mag maken.

Precies.

Er is meer plaats nodig. Fysiek vooral. In mijn hoofd is nog plek. Achter de schotten niet. Er komt alleen meer plaats als ik de bestaande ruimte leegruim. Plek maken voor andere herinneringen. Ik merk dat het me weinig moeite kost. Terwijl ik twee jaar eerder nog verwoed mijn trotse collectie voorwerpen met hand en tand verdedigde tegen een onverbiddelijke R.

Mijn bewaarargumenten sloegen plat op een onwrikbare R. Het compromis was ‘later misschien’, nu nog niet. Later kwam en het kwam eerder dan gedacht. In de vorm van verlies. Selectief zijn had blijkbaar een soort van trauma nodig, een pijn die mij dwingt voorwerpen waarvan ik dacht dat ze dierbaar waren te ruimen voor een nieuwe dierbaarheid. Die voor mijn ouders. En mijn herinneringen aan hen.

Advertenties