De jongeling en zijn bravoure

door Marc

image_540640643819736

De tweede storm van 2018. Zwakke bomen knakten kansloos, daken werden gelicht. KNMI-kleurcodewaaier. Chaos. Terwijl de groendienst van de stad het omvergeblazen groen in de stad in stukjes zaagde, had zoonlief atletiektraining in het stadsbos.
Had hij geen zin in, mopperde hij. En ik mompelde iets over afmaken waar je aan begint. Ik snap hem, eigenlijk is het ook helemaal geen leuk bos. Zeker niet op de zaterdagochtend. Semi-fitte senioren lopen er elkaar groepsgewijs in de weg op geometrisch perfect aangelegde paden. En de ouders van de hardlopende kinderen wandelen de senioren weer in de weg. Zo loopt iedereen zich ter ontspanning in de weg.

Ik ga mezelf uit de weg en wandel de andere kant op. Daar ligt het universiteitsterrein, het grenst aan het hardloopbos. Net als gestichten liggen universiteiten vaak op jaloersmakende terreinen.

In de faculteiten wordt het jonge brein gevoed. Hier bloeien jongeren op, ontluikt talent. Toen ik lang geleden aan de Hogeschool Sittard (nu Hogeschool Zuyd) studeerde (lees aanwezig was), ben ik ook op deze plek geweest. Medestudent B. en ik pakten onder de noemer ‘literatuuronderzoek’ de trein van Sittard naar Tilburg. Lang leve de gratis OV-kaart. We rekenden erop dat de faculteit Vrijetijdswetenschappen (nu Leisure Studies) ons verder zou helpen en dan met name – zo hoopten we – de rijkelijk gevulde bibliotheek. Maar owee de teleurstelling; mijn eindscriptieonderzoekspoor liep genadeloos dood in de bieb van de universiteit van Tilburg. Mijn scriptieonderwerp was te ver van elk bed.

De bami voor vijf gulden in de mensa maakte het falen deels goed.

Terug naar nu. Ik sjokte muziekluisterend langs het Academia Building, mijn handen warmend in de jaszakken. Het Academia Building is een tragisch grijze kolos met een lui gekozen naam. In de oortjes hoorde ik – hoe ironisch – I Will Survive van Cake. Een cover. Sinds mijn eerste bezoek aan het universiteitsterrein ben ik een scheiding, tig baantjes en banen, kinderen met een fantastische vrouw, 6 tumoren, een schedelreconstructie en het onlangs kwijtraken van mijn ouders verder. Asjemenou. Ik ben het verhaal geworden waar ik vroeger altijd van dacht dat het verzonnen was.

Destijds deed ik maar wat, rommelde maar wat aan. Zonder plan en met mijn ogen gesloten voor de toekomst. Medestudenten die hun propedeuse haalden, maakten dat ze uit Sittard wegkwamen. Een aantal dwarrelde neer in Tilburg. Ik niet, althans nog niet toen. Heb ik iets gemist, met de kennis van nu? Had ik het nu wel gekund? Had ik mijn angsten en twijfels van toen nu wel aangekund?

Bullshitachterafvragen.

In de plint van een van de studentenhuisvestingtorens ontdek ik een AH. Altijd leuk, een supermarkt ontdekken op een plek waar je eerder een rechtbank zou verwachten. Of een advocatenkantoor. Studenten kom ik er in elk geval niet tegen. Ik reken beleg, yoghurt en slagroom af. Vanmiddag viert de jongste feest. Er is taart, maar nog geen slagroom. De jongste staat nog aan het begin. Het komt haar aanwaaien, zo lijkt het soms. De op een na jongste van de groep en bij de beste lezers en rekenaars. Dat maakt mij blij. Het laatste wat ik wil is dat mijn kinderen tegen zichzelf moeten knokken.

Ik wandel terug naar de parkeerplaats. Kruip in de auto, tik snel deze gedachten in mijn telefoon, raap De Heilige Rita van Wieringa van de achterbank en lees vier pagina’s.

In de verte rent zoonlief mij tegemoet. De training zit erop, het uur is voorbij. Hij wordt acteur, zei hij onlangs. Of regisseur. Want als ze hem die zak geld hadden gegeven was de nieuwe Star Wars een stuk beter geweest, zei hij. Zonder schroom. Had ik die bravoure maar gehad toen ik negen was. Dan waren al die dromen misschien geen dromen gebleven en die angsten geen angsten. Op z’n slechtst waren het dan levenslessen geweest. De bestemming zou hetzelfde zijn, maar die hobbelige weg ernaartoe een stuk comfortabeler.

 

Advertenties