De opberger

door Marc

image_54090963026173

Voor al zijn ideetjes en deelwaardige wetenswaardigheden maakte hij gebruik van een zelf in elkaar geknutseld opberg- en terugvindsysteem. Het systeem bestond uit verschillende Ikea-tafeltjes en Ikea-opbergkastjes met erop en erin stapeltjes papier en snippers met aantekeningen en cijfers. Allemaal met betekenis en verwijzend naar namen, herinneringen en situaties.

Hoe het systeem precies werkte wist alleen hij. Wel weten we dat het zich zich gedurende de jaren ontwikkelde in een uniek, wijdvertakt organisme. Denk aan de takken van een boom. De wortels. Het loof. Dat grote organische geheel. Mijn zus en ik vonden dat altijd prachtig. Efficiënt was het allesbehalve, daar waar een boom dat wel is.

Ik liet mijn vader wel eens knipogend weten dat hij de zolder en de garage moest ontruimen, omdat wij daar na zijn dood he-le-maal geen trek in hadden. Dan grinnikte hij, trots op al die spullen die hij wel terug wist te vinden en wij niet. Dat grinniken betekende eigenlijk gewoon nee. Afstand doen van dingen was bepaald geen kernkwaliteit van mijn vader. De zolder en garage liggen vol met het gevolg daarvan.

Na zijn overlijden moesten we daar naar terug, naar het huis waarin we opgroeiden. Naar het uitgestalde gevolg van zijn bewaardrift. Naar het huis waarin mijn zus en ik gevormd zijn. Een huis dat tot aan de rand gevuld is met herinneringen. Zet een raam open en het knalt eruit, die chaos van ervaringen die zich plagerig in ons zoekende brein heeft genesteld en wij waggelend van verdriet en hartzeer.

De kleding van mijn moeder hing nog gewoon in het zicht. Haar wandelschoenen in de gang. Jas aan de kapstok. In zijn zicht, opdat hij haar niet zou vergeten. Hij zat net als wij nog vol in de rouw. Haar kleren zijn het zichtbare deel van die rouw. Moeilijker wordt het als je het zichtbare aan de kant schuift. Wat je vervolgens tegenkomt, waar je nog niks van wist.

Zijn kleding hing naast haar kleding, in ons zicht. In een huis dat in alles ademt dat de bewoner elk moment thuis kan komen. Dat wij te vroeg zijn. We moeten nog even wachten jongens. Opa is zo terug van zijn rondje fietsen.

‘Ben even fietsen! Terug om 11.30 uur.’

Dat had zomaar op een van zijn briefjes kunnen staan.

Maar het stond niet op een briefje en hij kwam niet meer terug.

Als we op bezoek waren had hij steevast wat conversatiepunten genoteerd. Vaak in vraagvorm. Amerikaanse politiek, sitcoms, Breaking Bad, cyclocrossen, Seinfeld, Max Verstappen, mijn blog. Hij was mijn redacteur op afstand, fan van het eerste uur. Daar hadden we het dan over. Hij genoot mee van mijn terugblikken op ons leven. Die leeftijd had hij. Vooruit was niet veel meer te zien. Dat besefte hij dagelijks.

In het boek ‘Pap, vertel ‘s’ lees ik dat hij mam ooit liefdesbrieven stuurde. Hij zat toen intern op de politieschool in Doenrade. Die brieven liggen op zolder lees ik, alsof hij ons daar alvast over wilde informeren. Ik ben blij dat mijn zus hem ‘Pap, vertel ‘s’ heeft gegeven. Hij was nog niet klaar met schrijven, want hij was nog niet klaar met leven. Die tijd is hem niet gegund. Maar wat in het boek staat, bevestigt wat wij allang wisten. Dat hij een fijn mens was met een goeie pen waar prachtige anekdotes mee geschreven werden.

Het nare is dat we nu nog zo ontzettend veel moeten uitzoeken en regelen, afsluiten en afhandelen. Je verliest je ouders en opeens ben je verantwoordelijk voor wat hun dood heeft achtergelaten. Mijn kop staat daar niet na. Hoe kan een kop daar uberhaupt naar staan? Laat ons eerst rouwen en laat ons daarna pas afhandelen. Die volgorde klopt niet. Want alles wat ik nu wil is de zolder op, die liefdesbrieven zoeken. De rest kan me eerlijk waar gestolen worden.

Advertenties